KC21/25-0157
Gegrond
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
BVM
De klacht betreft beslissingen tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna: BVM) van de directie van de gevangenis van Merksplas.
Het opleggen van een BVM is geregeld in de artikelen 110-115 van de Basiswet. De directeur kan bijzondere veiligheidsmaatregelen opleggen wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid. De bijzondere veiligheidsmaatregel moet evenredig zijn aan de bedreiging en van dien aard zijn dat hij ze verhelpt. Vooraleer de directeur een beslissing neemt, wordt de gedetineerde gehoord. De gedetineerde wordt vervolgens schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing, alsmede van de motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen. Een BVM mag tenslotte niet langer duren dan zeven dagen.
De Basiswet en Collectieve Brief nr. 156 bepalen tevens dat wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere veiligheidsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, enkel de tuchtprocedure wordt opgestart. Dit werd ook al meermaals bevestigd door de Beroepscommissie. Volgens de collectieve brief nr. 116 van 5 december 2011 kan een bijzondere veiligheidsmaatregel alleen worden opgelegd “zonder dat er sprake is van een tuchtinbreuk”.
In de collectieve brief nr. 156 van 14 augustus 2020 luidt het dat “wanneer de directeur oordeelt dat de feiten die hem ter kennis zijn gebracht, niet alleen een bedreiging vormen voor de orde en de veiligheid, maar eveneens een tuchtrechtelijke inbreuk zijn, de tuchtprocedure (zal) worden opgestart. Wanneer de eventuele tuchtsanctie een einde heeft genomen, kan de situatie van de gedetineerde opnieuw onderzocht worden om, volgens de voorgeschreven procedure, de noodzaak te evalueren van het al dan niet nemen van een bijzondere veiligheidsmaatregel”.
Uit het meldingsverslag blijkt dat er sprake was van een conflict tussen klager en een medegedetineerde. Het gaat om feiten die volgens de klachtencommissie gekwalificeerd kunnen worden als één of meerdere tuchtinbreuken (o.a. artikel 129, 1° van de Basiswet). Toch werd er gekozen om een procedure tot BVM en geen tuchtprocedure op te leggen. In principe moet de directie in een dergelijk geval dus een tuchtprocedure opstarten. Pas na de tuchtprocedure kan geoordeeld worden of een bijzondere veiligheidsmaatregel nog nodig is.
Per e-mail van 04/09/2025 heeft de PI Merksplas bevestigd dat er geen tuchtprocedure werd opgestart. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de beslissingen tot toepassing van een BVM van 18 en 25/08/2025 onwettig waren.
De directie had, conform de Basiswet, de tuchtprocedure moeten doorlopen, met inbegrip van de garanties zoals het recht op bijstand van een advocaat. Indien bleek dat na de afloop van de tuchtsanctie, er nog steeds ernstige aanwijzingen bestonden van een gevaar voor de orde of de veiligheid, kon toen alsnog een BVM opgelegd worden. Om deze redenen is de klacht tegen de beslissingen tot toepassing van een BVM van 18 en 25/08/2025 gegrond.
De klacht betreft beslissingen tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna: BVM) van de directie van de gevangenis van Merksplas.
Het opleggen van een BVM is geregeld in de artikelen 110-115 van de Basiswet. De directeur kan bijzondere veiligheidsmaatregelen opleggen wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid. De bijzondere veiligheidsmaatregel moet evenredig zijn aan de bedreiging en van dien aard zijn dat hij ze verhelpt. Vooraleer de directeur een beslissing neemt, wordt de gedetineerde gehoord. De gedetineerde wordt vervolgens schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing, alsmede van de motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen. Een BVM mag tenslotte niet langer duren dan zeven dagen.
De Basiswet en Collectieve Brief nr. 156 bepalen tevens dat wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere veiligheidsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, enkel de tuchtprocedure wordt opgestart. Dit werd ook al meermaals bevestigd door de Beroepscommissie. Volgens de collectieve brief nr. 116 van 5 december 2011 kan een bijzondere veiligheidsmaatregel alleen worden opgelegd “zonder dat er sprake is van een tuchtinbreuk”.
In de collectieve brief nr. 156 van 14 augustus 2020 luidt het dat “wanneer de directeur oordeelt dat de feiten die hem ter kennis zijn gebracht, niet alleen een bedreiging vormen voor de orde en de veiligheid, maar eveneens een tuchtrechtelijke inbreuk zijn, de tuchtprocedure (zal) worden opgestart. Wanneer de eventuele tuchtsanctie een einde heeft genomen, kan de situatie van de gedetineerde opnieuw onderzocht worden om, volgens de voorgeschreven procedure, de noodzaak te evalueren van het al dan niet nemen van een bijzondere veiligheidsmaatregel”.
Uit het meldingsverslag blijkt dat er sprake was van een conflict tussen klager en een medegedetineerde. Het gaat om feiten die volgens de klachtencommissie gekwalificeerd kunnen worden als één of meerdere tuchtinbreuken (o.a. artikel 129, 1° van de Basiswet). Toch werd er gekozen om een procedure tot BVM en geen tuchtprocedure op te leggen. In principe moet de directie in een dergelijk geval dus een tuchtprocedure opstarten. Pas na de tuchtprocedure kan geoordeeld worden of een bijzondere veiligheidsmaatregel nog nodig is.
Per e-mail van 04/09/2025 heeft de PI Merksplas bevestigd dat er geen tuchtprocedure werd opgestart. Om deze redenen besluit de klachtencommissie dat de beslissingen tot toepassing van een BVM van 18 en 25/08/2025 onwettig waren.
De directie had, conform de Basiswet, de tuchtprocedure moeten doorlopen, met inbegrip van de garanties zoals het recht op bijstand van een advocaat. Indien bleek dat na de afloop van de tuchtsanctie, er nog steeds ernstige aanwijzingen bestonden van een gevaar voor de orde of de veiligheid, kon toen alsnog een BVM opgelegd worden. Om deze redenen is de klacht tegen de beslissingen tot toepassing van een BVM van 18 en 25/08/2025 gegrond.