Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0163

Ongegrond Gegrond KC - Merksplas Klachtencommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - GEÏNTERNEERD - TOEREKENBAARHEID

De klacht gaat over een voorlopige maatregel en een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Merksplas.

Over de voorlopige maatregel: in voorliggende zaak besloot de directie een voorlopige maatregel op te leggen op basis van de ernstige en opzettelijk aantasting van de interne veiligheid en bestaande uit de plaatsing op een beveiligde cel. De beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel is afdoende gemotiveerd. De klachtencommissie acht het terecht dat de directie in deze situatie een voorlopige maatregel bestaande uit verplicht verblijf op een beveiligde cel oplegde. De klacht gericht tegen een beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel is ongegrond.

Over de tuchtbeslissing: de klachtencommissie stelt vast dat klager geïnterneerd is. De directeur moet in de motivering de elementen opnemen op basis waarvan hij de geïnterneerde verantwoordelijk acht voor zijn daden.

De vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen.

De klachtencommissie stelt vast dat de directie voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van de tuchtrechtelijke inbreuken aan klager o.a. verwijst naar informatie over de toerekeningsvatbaarheid van betrokkene van de personeelsleden van ‘labrys’. De klachtencommissie is echter van oordeel dat deze informatie onvoldoende elementen uitmaken die toelaten om een correct beeld van de geestesgesteldheid van klager op het moment van de feiten te vormen. Daarnaast is de klachtencommissie van oordeel dat het feit dat klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting helder communiceert, niets zegt over de vrije wil en het oordeelsvermogen van klager op het moment van de feiten. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de inbreuken aan klager dan ook niet afdoende gemotiveerd.

De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten dan ook niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikelen 144, §6 juncto 8 van de Basiswet. De klacht is om deze redenen gegrond.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/25-0349 opgestart