Ga verder naar de inhoud

KC21/25-0165

Onontvankelijk KC - Merksplas Klachtencommissie Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - CELMUTATIE

Klager dient klacht in tegen het gegeven dat hij de duiven niet kan voederen via de voederplankjes, omdat er geen personeel voorhanden is om hem naar daar te begeleiden. Uit het verweer van de directie blijkt het te gaan over een beslissing van team Vesta dat hij dit niet systematisch kan doen (omdat zij hiervoor niet de nodige personeelsbezetting heeft), doch wel ad hoc. De klachtencommissie meent dat het voorzien van de voederplankjes destijds een loutere gunst betrof (of ook: een manier om op controleerde en hygiënische wijze tegemoet te komen aan een op dat ogenblik bestaande vraag). Het probleem dat klager in het voorliggend dossier aan de kaak stelt, handelt dan ook over de verdere implementatie van die gunst. Hoewel er in het voorliggend dossier sprake lijkt te zijn van een geïndividualiseerde beslissing ten aanzien van klager (aangezien hij de (enige) vraagsteller was), is er géén sprake van een beslissing door of namens de directie. De beslissing werd genomen door het zorgteam op basis van praktische afwegingen. De directie is hier niet in tussengekomen. Klager maakt het niet aannemelijk dat deze beslissing een impact heeft op de grondrechten die in zijn hoofde bestaan op grond van de bepalingen van de Basiswet en meer in het bijzonder op zijn recht om een gepaste zorg te ontvangen. Aangezien het aldus louter om (het niet kunnen uitvoeren van) een gunst (aan de frequentie zoals door klager gewenst) handelt en niet om een door de Basiswet voorzien recht, is het volgens de klachtencommissie ook niet zo dat er sprake zou zijn van een verzuim in hoofde van de directie om hieromtrent een beslissing te nemen (lees: de frequente(re) uitvoering van de gunst te verzekeren). Er is volgens de klachtencommissie dan ook geen sprake van een beslissing in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager beklaagt zich over het gegeven dat hij als ‘slachtoffer’ moet verhuizen, terwijl het zijn buur is die lawaaioverlast veroorzaakt. Een klacht inzake een beslissing tot celmutatie behoort in principe tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. Klager haalt echter geen datum van de door hem bestreden beslissing aan. De klachtencommissie vindt de klacht van klager dan ook onduidelijk opgesteld. Uit het verweer van de directie in dossier KC21/25-0173 leert de klachtencommissie bovendien dat er voorafgaand aan de beslissing tot celmutatie van 19 september 2025 (het voorwerp in dat klachtendossier) slechts twee keer een andere cel aan klager werd aangeboden, doch dat dit geen verplichte mutatiebeslissingen betroffen. Hetgeen waar klager zich over beklaagt, betreft dan ook louter een voorstel tot celmutatie, en geen beslissing. Volgens de klachtencommissie was er op het ogenblik van de indiening van de klacht in het voorliggend dossier dan ook (nog) geen sprake van een beslissing in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk