KC21/26-0015
Onontvankelijk
KC - Merksplas
Klachtencommissie
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - VERZUIM - BEVOEGDHEID - BRIEFWISSELING
Klager beklaagt zich over de termijn van de aangetekende zending die hij op 7 januari 2025 aan de directie overhandigde. Aangezien de Basiswet een tussenkomst van de directeur voorziet in het verzenden van brieven, meent de klachtencommissie dat er sprake is van een beslissing in de zin van artikel 148 Basiswet. Dat de brief pas een kleine drie weken nĂ¡ 7 januari 2025 aankwam, lijkt dan ook slechts gedeeltelijk te wijten aan de gevangenis (verzending na een week). De overige duurtijd is met name te wijten aan de familie van klager (die blijkens de aanvullende informatie die hij na de zitting overmaakte de brief nog moest inscannen en aan de rechtbank opsturen), de post (bezorgtijd) en mogelijks ook de rechtbank zelf (verwerking van de post ter griffie). Volgens de klachtencommissie was er geen sprake van een onredelijk lange termijn tussen het neerleggen van de brief en de verzending ervan door de directie. Ze benadrukt ook dat de directie niet noodzakelijk op de hoogte was van het dringend karakter van hetgeen klager wou verzenden. Er is volgens de klachtencommissie dan ook geen sprake van een verzuim in hoofde van de directie in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. Om die reden is de klacht niet-ontvankelijk.
Klager beklaagt zich over de termijn van de aangetekende zending die hij op 7 januari 2025 aan de directie overhandigde. Aangezien de Basiswet een tussenkomst van de directeur voorziet in het verzenden van brieven, meent de klachtencommissie dat er sprake is van een beslissing in de zin van artikel 148 Basiswet. Dat de brief pas een kleine drie weken nĂ¡ 7 januari 2025 aankwam, lijkt dan ook slechts gedeeltelijk te wijten aan de gevangenis (verzending na een week). De overige duurtijd is met name te wijten aan de familie van klager (die blijkens de aanvullende informatie die hij na de zitting overmaakte de brief nog moest inscannen en aan de rechtbank opsturen), de post (bezorgtijd) en mogelijks ook de rechtbank zelf (verwerking van de post ter griffie). Volgens de klachtencommissie was er geen sprake van een onredelijk lange termijn tussen het neerleggen van de brief en de verzending ervan door de directie. Ze benadrukt ook dat de directie niet noodzakelijk op de hoogte was van het dringend karakter van hetgeen klager wou verzenden. Er is volgens de klachtencommissie dan ook geen sprake van een verzuim in hoofde van de directie in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet. Om die reden is de klacht niet-ontvankelijk.