TUCHT - TOEREKENBAARHEID
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.
• Met betrekking tot het bewezen zijn van de feiten en de kwalificatie
De klachtencommissie meent dat het RAD duidelijk werd opgesteld en ook ondertekend werd door twee getuigen van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager niet dat hij het stukje bruine substantie ontvangen heeft van een medegedetineerde. Bovendien worden in de klacht de feiten zelf niet betwist, maar enkel de toerekeningsvatbaarheid van klager op het moment van de feiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuken uitmaakten.
• Met betrekking tot de toerekenbaarheid
Klager verwijst naar de rechtspraak van de Nederlandstalige beroepscommissie over de toerekenbaarheid en spreekt van een schending van de motiveringsplicht. De klachtencommissie stelt echter vast dat de directie wel degelijk uitgebreid uiteenzet waarom klager helder en bewust was op het moment van de feiten en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat uit deze motivering voldoende duidelijk blijkt dat klager op het moment van de feiten helder kon redeneren en inderdaad aanvoelde dat zijn gedrag niet wenselijk was. Klager beantwoordde de vraag van de beambten of hij iets had aangenomen immers negatief, hetgeen volgens de klachtencommissie wijst op het feit dat hij bewust een voorwerp wilde verborgen houden en duidt op een helder denkpatroon. Dit wordt bovendien onderstreept door het feit dat klager kort na de feiten ook spontaan heeft verklaard dat hij niets met drugs te maken wil hebben. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144, § 6 en artikel 8 van de Basiswet.
• Met betrekking tot de opgelegde sanctie
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 15 dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was.
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” en wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”.
• Met betrekking tot het bewezen zijn van de feiten en de kwalificatie
De klachtencommissie meent dat het RAD duidelijk werd opgesteld en ook ondertekend werd door twee getuigen van het personeel. De klachtencommissie is van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting ontkent klager niet dat hij het stukje bruine substantie ontvangen heeft van een medegedetineerde. Bovendien worden in de klacht de feiten zelf niet betwist, maar enkel de toerekeningsvatbaarheid van klager op het moment van de feiten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten deze tuchtrechtelijke inbreuken uitmaakten.
• Met betrekking tot de toerekenbaarheid
Klager verwijst naar de rechtspraak van de Nederlandstalige beroepscommissie over de toerekenbaarheid en spreekt van een schending van de motiveringsplicht. De klachtencommissie stelt echter vast dat de directie wel degelijk uitgebreid uiteenzet waarom klager helder en bewust was op het moment van de feiten en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat uit deze motivering voldoende duidelijk blijkt dat klager op het moment van de feiten helder kon redeneren en inderdaad aanvoelde dat zijn gedrag niet wenselijk was. Klager beantwoordde de vraag van de beambten of hij iets had aangenomen immers negatief, hetgeen volgens de klachtencommissie wijst op het feit dat hij bewust een voorwerp wilde verborgen houden en duidt op een helder denkpatroon. Dit wordt bovendien onderstreept door het feit dat klager kort na de feiten ook spontaan heeft verklaard dat hij niets met drugs te maken wil hebben. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet aan artikel 144, § 6 en artikel 8 van de Basiswet.
• Met betrekking tot de opgelegde sanctie
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 15 dagen ATV. Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was.