TUCHT
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van eerste categorie). Hiervoor krijgt klager een bijzondere tuchtsanctie opgelegd, namelijk het verbod op deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband, meer specifiek tien dagen individuele wandeling.
Op 8 september 2023 wordt een RADD opgesteld.
Er werd een schaderapport opgemaakt op 8 september 2023, in het Frans. Dit rapport werd niet ondertekend door de directeur, noch door klager.
Op 11 september 2023 wordt een document “Information au détenu relative à la procedure disciplinaire” (vrij vertaald: “Informatie aan de gedetineerde betreffende de tuchtprocedure”) aan klager voorgelegd. Dit document werd opgesteld in het Frans. Klager weigerde dit te tekenen.
De gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht.
Bij de beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk oefent de directeur een discretionaire bevoegdheid uit. Aangezien de tuchtregeling in de Basiswet geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, kan de directeur voor het bewijs steunen op materiële vaststellingen, bekentenissen, getuigenissen of vermoedens, zolang hij bij zijn beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten tot een conclusie komt die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. In principe mag de directie voor het bewijs van bepaalde feiten steunen op een RADD, tenzij er tegenindicaties blijken of worden aangevoerd waardoor er twijfels zouden rijzen omtrent de waarachtigheid van dit RADD. De directeur moet deze tegenindicaties dan onderzoeken en beoordelen.
Het is voor de klachtencommissie onduidelijk uit welke elementen de directie de intentie van klager om het materiaal kapot te maken, afleidde.
Hoewel de directie in haar beslissing noteert dat het rapport zeer duidelijk is, is de klachtencommissie niet dezelfde mening toegedaan. De opsteller van het rapport schrijft dat drie gedetineerden, waaronder klager, met opzet een metalen bar van de muur hebben afgerukt. Hieruit blijkt niet hoe de opsteller van het rapport er van uit kon gaan dat de metalen bar met opzet van de muur werd getrokken. De klachtencommissie stelt dat ook dat het rapport zeer summier en onnauwkeurig werd opgesteld. Dit element wordt ook niet verduidelijkt tijdens de zitting van de klachtencommissie.
In het rapport aan de directeur worden geen getuigen van de feiten vermeld. Het rapport wordt ondertekend door de directie op 11 september 2023, drie dagen nadat de feiten plaatsvonden. Aangezien het rapport niet nauwkeurig is, er geen getuigen zijn die de feiten bevestigen en er geen camerabeelden voorhanden zijn, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie met de beschikbare informatie niet kon besluiten dat klager het opzet had om het materiaal te beschadigen.
Ten overvloede merkt de klachtencommissie op dat de taalwetgeving niet werd nageleefd. De Basiswet van 2005 bevat als lex specialis enkele bepalingen aangaande het taalgebruik voor de informatie bij aankomst in de gevangenis, tuchtzaken en klachten van gedetineerden. Buiten deze bepalingen is de Bestuurstaalwet van toepassing op het taalgebruik tussen de gevangenisadministratie en de gedetineerde. De Bestuurstaalwet regelt het taalgebruik in bestuurszaken op basis van het soort dienst. Met betrekking tot gevangenissen is voornamelijk het onderscheid tussen plaatselijke, gewestelijke en “diensten waarvan de werkkring het hele land bestrijkt” relevant. De Bestuurstaalwet bepaalt dat centrale diensten en uitvoeringsdiensten (onder andere penitentiaire inrichtingen) in hun betrekkingen met particulieren het Nederlands, het Frans of het Duits dienen te gebruiken, al naargelang van de taal gebruikt door de betrokkene.
De inrichting dient in haar betrekkingen met klager het Nederlands te gebruiken.
Het rapport aan de directeur d.d. 8 september 2023 werd opgesteld in het Frans. Uit het dossier blijkt niet dat aan klager een mondelinge toelichting werd gegeven van de inhoud van dit rapport.
Ook de documenten “Information au détenu relative à la procedure disciplinaire” (vrij vertaald: “Informatie aan de gedetineerde betreffende de tuchtprocedure”) en “Rapport dégâts” (“Schaderapport”) werden in het Frans opgesteld.
Door Franstalige documenten aan klager voor te leggen (die hem persoonlijk aanbelangden), heeft de directie het recht op verdediging van de klager geschonden.
Om al deze redenen is de klacht gegrond.
Klager werd tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (een inbreuk van eerste categorie). Hiervoor krijgt klager een bijzondere tuchtsanctie opgelegd, namelijk het verbod op deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband, meer specifiek tien dagen individuele wandeling.
Op 8 september 2023 wordt een RADD opgesteld.
Er werd een schaderapport opgemaakt op 8 september 2023, in het Frans. Dit rapport werd niet ondertekend door de directeur, noch door klager.
Op 11 september 2023 wordt een document “Information au détenu relative à la procedure disciplinaire” (vrij vertaald: “Informatie aan de gedetineerde betreffende de tuchtprocedure”) aan klager voorgelegd. Dit document werd opgesteld in het Frans. Klager weigerde dit te tekenen.
De gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht.
Bij de beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk oefent de directeur een discretionaire bevoegdheid uit. Aangezien de tuchtregeling in de Basiswet geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, kan de directeur voor het bewijs steunen op materiële vaststellingen, bekentenissen, getuigenissen of vermoedens, zolang hij bij zijn beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten tot een conclusie komt die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. In principe mag de directie voor het bewijs van bepaalde feiten steunen op een RADD, tenzij er tegenindicaties blijken of worden aangevoerd waardoor er twijfels zouden rijzen omtrent de waarachtigheid van dit RADD. De directeur moet deze tegenindicaties dan onderzoeken en beoordelen.
Het is voor de klachtencommissie onduidelijk uit welke elementen de directie de intentie van klager om het materiaal kapot te maken, afleidde.
Hoewel de directie in haar beslissing noteert dat het rapport zeer duidelijk is, is de klachtencommissie niet dezelfde mening toegedaan. De opsteller van het rapport schrijft dat drie gedetineerden, waaronder klager, met opzet een metalen bar van de muur hebben afgerukt. Hieruit blijkt niet hoe de opsteller van het rapport er van uit kon gaan dat de metalen bar met opzet van de muur werd getrokken. De klachtencommissie stelt dat ook dat het rapport zeer summier en onnauwkeurig werd opgesteld. Dit element wordt ook niet verduidelijkt tijdens de zitting van de klachtencommissie.
In het rapport aan de directeur worden geen getuigen van de feiten vermeld. Het rapport wordt ondertekend door de directie op 11 september 2023, drie dagen nadat de feiten plaatsvonden. Aangezien het rapport niet nauwkeurig is, er geen getuigen zijn die de feiten bevestigen en er geen camerabeelden voorhanden zijn, is de klachtencommissie van oordeel dat de directie met de beschikbare informatie niet kon besluiten dat klager het opzet had om het materiaal te beschadigen.
Ten overvloede merkt de klachtencommissie op dat de taalwetgeving niet werd nageleefd. De Basiswet van 2005 bevat als lex specialis enkele bepalingen aangaande het taalgebruik voor de informatie bij aankomst in de gevangenis, tuchtzaken en klachten van gedetineerden. Buiten deze bepalingen is de Bestuurstaalwet van toepassing op het taalgebruik tussen de gevangenisadministratie en de gedetineerde. De Bestuurstaalwet regelt het taalgebruik in bestuurszaken op basis van het soort dienst. Met betrekking tot gevangenissen is voornamelijk het onderscheid tussen plaatselijke, gewestelijke en “diensten waarvan de werkkring het hele land bestrijkt” relevant. De Bestuurstaalwet bepaalt dat centrale diensten en uitvoeringsdiensten (onder andere penitentiaire inrichtingen) in hun betrekkingen met particulieren het Nederlands, het Frans of het Duits dienen te gebruiken, al naargelang van de taal gebruikt door de betrokkene.
De inrichting dient in haar betrekkingen met klager het Nederlands te gebruiken.
Het rapport aan de directeur d.d. 8 september 2023 werd opgesteld in het Frans. Uit het dossier blijkt niet dat aan klager een mondelinge toelichting werd gegeven van de inhoud van dit rapport.
Ook de documenten “Information au détenu relative à la procedure disciplinaire” (vrij vertaald: “Informatie aan de gedetineerde betreffende de tuchtprocedure”) en “Rapport dégâts” (“Schaderapport”) werden in het Frans opgesteld.
Door Franstalige documenten aan klager voor te leggen (die hem persoonlijk aanbelangden), heeft de directie het recht op verdediging van de klager geschonden.
Om al deze redenen is de klacht gegrond.