KC32/22-0122
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Turnhout
Klachtencommissie
Bijzondere veiligheidsmaatregel
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL
De klachtencommissie stelt vast dat de klacht niet handelt over een geïndividualiseerde beslissing van de directeur ten aanzien van hem, maar over het vermeend handelen van het personeel (tijdelijk buiten werking stellen van het oproepingslampje), zonder dat dit een beslissing namens de directeur is in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.
In het voorliggend dossier klaagt klager over het feit dat hij enkel met plastic bestek en uit speciale borden mag eten, hetgeen impliceert dat hij bepaalde voorwerpen (normaal bestek en normale borden) niet op cel mag hebben. Een klacht tegen het ontzeggen van bepaalde voorwerpen (in voorliggend dossier: normaal bestek en normale borden) behoort tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. De ontzegging van voorwerpen kan wettelijk gezien enkel op tijdelijke en gemotiveerde wijze, in het kader van een tuchtsanctie of een bijzondere veiligheidsmaatregel. In het voorliggend dossier is er géén sprake van een bijzondere veiligheidsmaatregel of een tuchtsanctie. Er is bijgevolg sprake van een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is ontvankelijk.
In het voorliggend dossier is de ontzegging van bepaalde voorwerpen een ‘automatisch gevolg’ van een verblijf op een ‘ontmantelde cel’, zoals klager het benoemt. De klachtencommissie kaartte in het verleden reeds meermaals de niet-wetsconforme aanpak op sectie 1 aan, waarbij gedetineerden vanuit een gedragsmatige aanpak op automatische wijze bepaalde voorwerpen ontzegd worden, zonder dat hiervoor geval per geval het regelgevend kader van de bijzondere veiligheidsmaatregelen aangewend wordt (zie KC32/21-0014, KC32/21-0087, KC32/22-0030, KC32/22-0079). De directie verwijst in haar verweer ook naar deze rechtspraak. De klachtencommissie herhaalt dat de ontzegging van voorwerpen wettelijk gezien enkel op tijdelijke en gemotiveerde wijze kan gebeuren, in het kader van een tuchtsanctie of een bijzondere veiligheidsmaatregel. Dergelijke beslissing is in het voorliggend dossier niet voorhanden. De klacht is gegrond. Uit het verweer van de directie blijkt geenszins dat er in het geval van klager nood is aan dergelijke maatregel of sanctie, zodat het verzuim volgens de klachtencommissie niet middels het nemen van dergelijke beslissing geremedieerd zou kunnen worden. De directie moet, overeenkomstig artikel 158 §4, de gevolgen van de vernietigde beslissing (in casu: het verzuim) voor zover mogelijk, ongedaan maken. Dit impliceert dat, aangezien de directie niet van mening lijkt dat er aan klager een BVM of tuchtsanctie dient opgelegd te worden (waardoor ze het verzuim zou kunnen herstellen), ze klager in het bezit moet stellen van normaal bestek en normale borden.
De klachtencommissie stelt vast dat de klacht niet handelt over een geïndividualiseerde beslissing van de directeur ten aanzien van hem, maar over het vermeend handelen van het personeel (tijdelijk buiten werking stellen van het oproepingslampje), zonder dat dit een beslissing namens de directeur is in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is niet-ontvankelijk.
In het voorliggend dossier klaagt klager over het feit dat hij enkel met plastic bestek en uit speciale borden mag eten, hetgeen impliceert dat hij bepaalde voorwerpen (normaal bestek en normale borden) niet op cel mag hebben. Een klacht tegen het ontzeggen van bepaalde voorwerpen (in voorliggend dossier: normaal bestek en normale borden) behoort tot het toepassingsgebied van het beklagrecht. De ontzegging van voorwerpen kan wettelijk gezien enkel op tijdelijke en gemotiveerde wijze, in het kader van een tuchtsanctie of een bijzondere veiligheidsmaatregel. In het voorliggend dossier is er géén sprake van een bijzondere veiligheidsmaatregel of een tuchtsanctie. Er is bijgevolg sprake van een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148 Basiswet. De klacht is ontvankelijk.
In het voorliggend dossier is de ontzegging van bepaalde voorwerpen een ‘automatisch gevolg’ van een verblijf op een ‘ontmantelde cel’, zoals klager het benoemt. De klachtencommissie kaartte in het verleden reeds meermaals de niet-wetsconforme aanpak op sectie 1 aan, waarbij gedetineerden vanuit een gedragsmatige aanpak op automatische wijze bepaalde voorwerpen ontzegd worden, zonder dat hiervoor geval per geval het regelgevend kader van de bijzondere veiligheidsmaatregelen aangewend wordt (zie KC32/21-0014, KC32/21-0087, KC32/22-0030, KC32/22-0079). De directie verwijst in haar verweer ook naar deze rechtspraak. De klachtencommissie herhaalt dat de ontzegging van voorwerpen wettelijk gezien enkel op tijdelijke en gemotiveerde wijze kan gebeuren, in het kader van een tuchtsanctie of een bijzondere veiligheidsmaatregel. Dergelijke beslissing is in het voorliggend dossier niet voorhanden. De klacht is gegrond. Uit het verweer van de directie blijkt geenszins dat er in het geval van klager nood is aan dergelijke maatregel of sanctie, zodat het verzuim volgens de klachtencommissie niet middels het nemen van dergelijke beslissing geremedieerd zou kunnen worden. De directie moet, overeenkomstig artikel 158 §4, de gevolgen van de vernietigde beslissing (in casu: het verzuim) voor zover mogelijk, ongedaan maken. Dit impliceert dat, aangezien de directie niet van mening lijkt dat er aan klager een BVM of tuchtsanctie dient opgelegd te worden (waardoor ze het verzuim zou kunnen herstellen), ze klager in het bezit moet stellen van normaal bestek en normale borden.