TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD van 26 februari 2023, evenals de verklaringen van klager ter tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de feiten zoals opgenomen in het RAD bewezen achtte.
Uit de motivering blijkt dat de directie bij het nemen van de tuchtbeslissing ook rekening heeft gehouden met verklaringen van de celgenoot van klager. Artikel 144 §5, laatste lid Basiswet bepaalt dat het horen van getuigen in aanwezigheid van de gedetineerde dient plaats te vinden. In voorliggend dossier werden beiden afzonderlijk gehoord.
De directie kwalificeerde de feiten als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie vindt de kwalificatie correct voor wat betreft de opgespaarde medicatie. Voor wat betreft de zelfgemaakte haken daarentegen wordt er volgens de klachtencommissie op geen enkele wijze gemotiveerd in welke zin deze haken een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaken.
De feiten deden zich voor op een meerpersoonscel. Gelet op het vermoeden van onschuld dient de directie te motiveren waarom ze de feiten aan klager toerekent. Deze toerekening betreft een individuele toerekening. De directie motiveert waarom ze bepaalde opgespaarde medicatie niet toerekent aan klager. Voor deze medicatie nam de celgenoot immers de verantwoordelijkheid op.
Vervolgens motiveert de directie echter op geen enkele wijze waarom de inbreuken in verband met de overige medicatie en de zelfgemaakte haken (voor zover deze al als een inbreuk kunnen weerhouden worden, zie vorig punt) aan klager kunnen worden toegerekend. Volgens de klachtencommissie is er onvoldoende sprake van een individuele toerekening, zodat de motivering strijdig is met artikel 8 j° artikel 144 §6, tweede lid Basiswet. De klacht is gegrond.
In het voorliggend dossier heeft de directeur zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD van 26 februari 2023, evenals de verklaringen van klager ter tuchtrechtelijke hoorzitting. De klachtencommissie vindt het redelijk dat de directie de feiten zoals opgenomen in het RAD bewezen achtte.
Uit de motivering blijkt dat de directie bij het nemen van de tuchtbeslissing ook rekening heeft gehouden met verklaringen van de celgenoot van klager. Artikel 144 §5, laatste lid Basiswet bepaalt dat het horen van getuigen in aanwezigheid van de gedetineerde dient plaats te vinden. In voorliggend dossier werden beiden afzonderlijk gehoord.
De directie kwalificeerde de feiten als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie vindt de kwalificatie correct voor wat betreft de opgespaarde medicatie. Voor wat betreft de zelfgemaakte haken daarentegen wordt er volgens de klachtencommissie op geen enkele wijze gemotiveerd in welke zin deze haken een inbreuk op het huishoudelijk reglement uitmaken.
De feiten deden zich voor op een meerpersoonscel. Gelet op het vermoeden van onschuld dient de directie te motiveren waarom ze de feiten aan klager toerekent. Deze toerekening betreft een individuele toerekening. De directie motiveert waarom ze bepaalde opgespaarde medicatie niet toerekent aan klager. Voor deze medicatie nam de celgenoot immers de verantwoordelijkheid op.
Vervolgens motiveert de directie echter op geen enkele wijze waarom de inbreuken in verband met de overige medicatie en de zelfgemaakte haken (voor zover deze al als een inbreuk kunnen weerhouden worden, zie vorig punt) aan klager kunnen worden toegerekend. Volgens de klachtencommissie is er onvoldoende sprake van een individuele toerekening, zodat de motivering strijdig is met artikel 8 j° artikel 144 §6, tweede lid Basiswet. De klacht is gegrond.