TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - RECHT OP TEGENSPRAAK - TEGEMOETKOMING
Hetgeen de directie in de motivering van de tuchtbeslissing beschrijft stemt niet overeen met het RAD en het verhaal van klager ter tuchtzitting. De weergave van de feiten die de directie in de tuchtbeslissing opneemt is gebrekkig. Bovendien kan het opzettelijk karakter van de vermeende inbreuk ernstig in vraag gesteld worden, nu klager louter – op ongelukkige wijze – trachtte een praktisch probleem op te lossen. Er was bovendien geen sprake van beschadiging of vernieling, nu het probleem eenvoudig verholpen kon worden zonder blijvende schade. De klachtencommissie acht de inbreuk van de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet) dan ook niet afdoende bewezen.
De klachtencommissie stelt vast dat de celgenoot na de tuchtzitting werd gehoord zonder dat klager daarbij aanwezig was. De elementen die tijdens het horen van de celgenoot naar boven kwamen, werden door de directie mede als element aangewend om de feiten inzake het weigeren van de celmutatie (toch) bewezen te achten in hoofde van klager. De directie heeft bij het nemen van haar tuchtbeslissing in strijd met artikel 144 §5, vijfde lid Basiswet gehandeld.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra videobezoek.
Hetgeen de directie in de motivering van de tuchtbeslissing beschrijft stemt niet overeen met het RAD en het verhaal van klager ter tuchtzitting. De weergave van de feiten die de directie in de tuchtbeslissing opneemt is gebrekkig. Bovendien kan het opzettelijk karakter van de vermeende inbreuk ernstig in vraag gesteld worden, nu klager louter – op ongelukkige wijze – trachtte een praktisch probleem op te lossen. Er was bovendien geen sprake van beschadiging of vernieling, nu het probleem eenvoudig verholpen kon worden zonder blijvende schade. De klachtencommissie acht de inbreuk van de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet) dan ook niet afdoende bewezen.
De klachtencommissie stelt vast dat de celgenoot na de tuchtzitting werd gehoord zonder dat klager daarbij aanwezig was. De elementen die tijdens het horen van de celgenoot naar boven kwamen, werden door de directie mede als element aangewend om de feiten inzake het weigeren van de celmutatie (toch) bewezen te achten in hoofde van klager. De directie heeft bij het nemen van haar tuchtbeslissing in strijd met artikel 144 §5, vijfde lid Basiswet gehandeld.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra videobezoek.