TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - SANCTIE
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie voor het bewezen zijn van de feiten inzake het stuk metaal voortging op het RAD en de bekentenis van klager ter tuchtzitting. Inzake de USB-kabel stelt de klachtencommissie het volgende vast. Klager wordt ter tuchtzitting verhoord inzake een USB-stick, hetgeen fundamenteel verschilt van een USB-kabel. In de tuchtbeslissing wordt opnieuw gesproken over een USB-kabel. Er wordt aangegeven dat klager ontkent dat de kabel aan hem toebehoort. De tuchtbeslissing is enigszins dubbelzinnig over de feiten waarvoor klager nu gesanctioneerd werd, gelet op de aangekruiste inbreuken en het gegeven dat de USB-kabel in de motivering wordt aangehaald. Ook in hoofde van klager bestaat hieromtrent onduidelijkheid, gelet op het feit dat hij in zijn klacht opnieuw aanvoert dat de USB-kabel niet van hem is. Uit de gehele motivering van de tuchtbeslissing meent de klachtencommissie echter te kunnen besluiten dat klager uiteindelijk niet gesanctioneerd werd (kon worden) voor de USB-kabel, doch enkel voor het stuk metaal. De directie motiveert immers niet waarom ze van oordeel is dat de USB-kabel toch aan klager zou toebehoren, hetgeen noodzakelijk is (des te meer aangezien hij op een meerpersoonscel zit).
De directie kwalificeerde de feiten inzake het stuk metaal als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet), omdat ze van mening is dat het gebruikt wordt om zaken door te geven. De klachtencommissie acht de redenering die de directie hieromtrent opbouwt, redelijk. De kwalificatie is correct en afdoende gemotiveerd. In de tuchtbeslissing wordt het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) aangekruist, doch hieromtrent wordt er niets gemotiveerd. Gelet op het gegeven dat de feiten inzake de USB-kabel niet aan klager konden worden toegerekend (zie vorig punt), kan deze inbreuk niet weerhouden worden en dient de aankruising ervan vernietigd te worden.
Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken (artikel 143 §2 Basiswet). Klager pleegde één inbreuk van de eerste categorie (die niet weerhouden kon worden, zie vorig punt) en één van de tweede categorie. Klager kreeg een sanctie van 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk, ook indien ze enkel kon worden opgelegd voor het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet).
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd voor wat betreft de inbreuk van het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet). De tuchtbeslissing blijft aldus overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet en de opgelegde en reeds uitgevoerde tuchtsanctie van 7 dagen ATV.
De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie voor het bewezen zijn van de feiten inzake het stuk metaal voortging op het RAD en de bekentenis van klager ter tuchtzitting. Inzake de USB-kabel stelt de klachtencommissie het volgende vast. Klager wordt ter tuchtzitting verhoord inzake een USB-stick, hetgeen fundamenteel verschilt van een USB-kabel. In de tuchtbeslissing wordt opnieuw gesproken over een USB-kabel. Er wordt aangegeven dat klager ontkent dat de kabel aan hem toebehoort. De tuchtbeslissing is enigszins dubbelzinnig over de feiten waarvoor klager nu gesanctioneerd werd, gelet op de aangekruiste inbreuken en het gegeven dat de USB-kabel in de motivering wordt aangehaald. Ook in hoofde van klager bestaat hieromtrent onduidelijkheid, gelet op het feit dat hij in zijn klacht opnieuw aanvoert dat de USB-kabel niet van hem is. Uit de gehele motivering van de tuchtbeslissing meent de klachtencommissie echter te kunnen besluiten dat klager uiteindelijk niet gesanctioneerd werd (kon worden) voor de USB-kabel, doch enkel voor het stuk metaal. De directie motiveert immers niet waarom ze van oordeel is dat de USB-kabel toch aan klager zou toebehoren, hetgeen noodzakelijk is (des te meer aangezien hij op een meerpersoonscel zit).
De directie kwalificeerde de feiten inzake het stuk metaal als het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet), omdat ze van mening is dat het gebruikt wordt om zaken door te geven. De klachtencommissie acht de redenering die de directie hieromtrent opbouwt, redelijk. De kwalificatie is correct en afdoende gemotiveerd. In de tuchtbeslissing wordt het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet) aangekruist, doch hieromtrent wordt er niets gemotiveerd. Gelet op het gegeven dat de feiten inzake de USB-kabel niet aan klager konden worden toegerekend (zie vorig punt), kan deze inbreuk niet weerhouden worden en dient de aankruising ervan vernietigd te worden.
Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken (artikel 143 §2 Basiswet). Klager pleegde één inbreuk van de eerste categorie (die niet weerhouden kon worden, zie vorig punt) en één van de tweede categorie. Klager kreeg een sanctie van 7 dagen ATV. De klachtencommissie acht de sanctie wettelijk en redelijk, ook indien ze enkel kon worden opgelegd voor het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet).
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt gedeeltelijk vernietigd voor wat betreft de inbreuk van het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken (artikel 129, 9° Basiswet). De tuchtbeslissing blijft aldus overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet en de opgelegde en reeds uitgevoerde tuchtsanctie van 7 dagen ATV.