TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD en de verklaringen van klager ter tuchtzitting. De directie stelt in de motivering van de tuchtbeslissing: “Klager erkent de feiten, met uitzondering van het woord ‘hoerenzoon’”.
Ten eerste stelt de klachtencommissie vast dat de motivering niet strookt met de verklaringen van klager ter tuchtzitting, nu uit lezing van het verslag blijkt dat klager de verschillende feiten telkens ontkende. Het was dan ook correcter geweest dat de directie zou besluiten dat ze de feiten bewezen achtte op basis van het zéér duidelijke en gedetailleerde RAD, ondanks de verklaringen van betrokkene.
Ten tweede stelt de klachtencommissie vast dat de directie wel aanhaalt dat klager ontkent dat hij “hoerenzoon” heeft gezegd, doch dat ze hierover niet duidelijk zegt of ze hem gelooft of niet. De zin wordt immers gevolgd door “Wij achten de feiten bewezen op basis van het RAD en de verklaring van betrokkene.” Op dit punt waren RAD en verklaring van betrokkene echter tegenstrijdig. De motivering is op dit punt dan ook dubbelzinnig. Klager betwist dit punt opnieuw in zijn klacht.
Ten derde merkt de klachtencommissie op dat enkel het gebruik van het woord “hoerenzoon” valt onder de kwalificatie van het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). Het aannemen van een opstandige houding en het gebruiken van de woorden “kom je me halen, kom me maar halen” kunnen volgens de klachtencommissie niet als een belediging gekwalificeerd worden. Deze aspecten zijn dan ook niet dienstig ter motivering van de inbreuk van artikel 130, 1° Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra douche.
De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op het RAD en de verklaringen van klager ter tuchtzitting. De directie stelt in de motivering van de tuchtbeslissing: “Klager erkent de feiten, met uitzondering van het woord ‘hoerenzoon’”.
Ten eerste stelt de klachtencommissie vast dat de motivering niet strookt met de verklaringen van klager ter tuchtzitting, nu uit lezing van het verslag blijkt dat klager de verschillende feiten telkens ontkende. Het was dan ook correcter geweest dat de directie zou besluiten dat ze de feiten bewezen achtte op basis van het zéér duidelijke en gedetailleerde RAD, ondanks de verklaringen van betrokkene.
Ten tweede stelt de klachtencommissie vast dat de directie wel aanhaalt dat klager ontkent dat hij “hoerenzoon” heeft gezegd, doch dat ze hierover niet duidelijk zegt of ze hem gelooft of niet. De zin wordt immers gevolgd door “Wij achten de feiten bewezen op basis van het RAD en de verklaring van betrokkene.” Op dit punt waren RAD en verklaring van betrokkene echter tegenstrijdig. De motivering is op dit punt dan ook dubbelzinnig. Klager betwist dit punt opnieuw in zijn klacht.
Ten derde merkt de klachtencommissie op dat enkel het gebruik van het woord “hoerenzoon” valt onder de kwalificatie van het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). Het aannemen van een opstandige houding en het gebruiken van de woorden “kom je me halen, kom me maar halen” kunnen volgens de klachtencommissie niet als een belediging gekwalificeerd worden. Deze aspecten zijn dan ook niet dienstig ter motivering van de inbreuk van artikel 130, 1° Basiswet.
De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. Klager krijgt als tegemoetkoming een extra douche.