Ga verder naar de inhoud

KC32/23-0139

Gegrond KC - Turnhout Klachtencommissie Tucht
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING

De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten (bezit van een USB-stick, aanbrengen van tandpasta op de muur) bewezen achtte. Klager ontkent deze feiten niet, hij geeft er wel een verantwoording voor. De USB-stick had hij naar eigen zeggen al sinds de nazending in zijn bezit. De tandpasta bracht hij aan om de gaten in de muur dicht te maken.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet) en het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie acht de kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd.

De directie acht klager verantwoordelijk voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Het verweer tijdens de hoorzitting is helder en coherent. De klachtencommissie wijst erop dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Het dagelijks gedrag en functioneren van klager toont aan dat hij zich bewust is van zijn daden/gedrag. Er kan volgens de klachtencommissie niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Uit het RAD blijkt dat betrokkene zeer coherent was op het moment van de gepleegde inbreuken/feiten. De klachtencommissie stelt vast dat de directie, door te verwijzen naar het RAD zich terecht uitspreekt over de toestand van klager op het moment van de feiten. Hetgeen de directie zegt vindt volgens de klachtencommissie geen echte ondersteuning in de RAD’s. In het voorliggend dossier is de verwijzing naar de RAD’s volgens de klachtencommissie dan ook eerder een standaardmotivering, die niet aangepast is aan de concrete stukken van het dossier. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten niet afdoende gemotiveerd. De motivering voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd.