Ga verder naar de inhoud

KC32/23-0192

Gegrond Onontvankelijk KC - Turnhout Klachtencommissie Tucht
TUCHT - SUBSIDIARITEIT - KWALIFICATIE INBREUK - UITVOERING - KLACHTENPROCEDURE - VRIJE TIJD

De klachtencommissie wijst erop dat het inderdaad niet aan klager toekomt om de goederen van de inrichting naar eigen goeddunken te manipuleren. Het beroep op de tuchtprocedure moet echter beperkt blijven tot situaties waarin de handhaving van de orde en veiligheid van de inrichting dit gebiedend rechtvaardigen en er geen enkel ander middel gebruikt kan worden om dit te verzekeren (artikel 122 Basiswet). Indien men klager had aangesproken op de door hem aangebrachte manipulaties, die volledig omkeerbaar waren, had hij deze op eerste verzoek kunnen tenietdoen. De opstart van een tuchtprocedure was niet noodzakelijk. De directie kwalificeerde de feiten van de losgedraaide kabeldoos en het verwijderd tv-pootje als de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 3° Basiswet). Volgens de klachtencommissie ontbreken in het voorliggend dossier twee elementen: (1) het opzet dat vereist is om te kunnen spreken van de opzettelijke beschadiging. Klager had immers niet het oogmerk om beschadigingen aan te brengen, integendeel, hij wou een eenvoudige oplossing voor zijn probleem (tv-ontvangst), en eveneens schade vermijden (vermijden dat de tv omvergelopen zou worden). De directie hechtte geloof aan de beweegredenen van klager doch hield er enkel rekening mee voor wat betreft het bepalen van de tuchtsanctie. Volgens de klachtencommissie had dit al in rekening gebracht moeten worden voor wat betreft de kwalificatie. (2) de schade om te kunnen spreken van de opzettelijke beschadiging. Hetgeen klager deed veroorzaakte geen schade, nu de manipulaties omkeerbaar waren.
De klachtencommissie meent dan ook dat de directie de feiten niet als zodanig had kunnen kwalificeren. De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd.

Klager beklaagt zich over de niet-uitvoering van de beslissingen van de KC. De klacht heeft hetzelfde voorwerp als de klacht van klager in KC32/23-0181. Er verstreken slechts enkele dagen tussen de indiening van die klacht en de klacht in het voorliggend dossier. De klacht in het voorliggend dossier bevat bovendien geen nieuwe informatie. De klachtencommissie meent de klacht dan ook niet (opnieuw) inhoudelijk te moeten beoordelen. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager beklaagt zich over het gegeven dat de directie hem geen compensatie toekent voor slechte tv-ontvangst. Hij stelt dit aan de directie te hebben voorgelegd, doch hierop geen reactie te hebben ontvangen. De klachtencommissie wijst erop dat niet elk onbeantwoord briefje op zich een verzuim van de directie inhoudt. Dit kán wel het geval zijn, indien de brief een verzoek inhoudt tot het nemen van een concrete beslissing die de directie op grond van een wettelijke verplichting of om redenen van redelijkheid of billijkheid moet nemen. (BC/23-0177) De klachtencommissie stelt vast dat klager de vraag tot compensatie stelde in het schriftelijk verweer dat hij bijbracht ter tuchtzitting van 2 oktober 2023. Hij stelt daarin dat hij “van het moment gebruik wil maken”. Klager maakt niet aannemelijk dat hij dit al eerder vroeg. De klachtencommissie stelt vast dat er voor wat betreft de vraag van 2 oktober 2023 in elk geval geen redelijke termijn verstreek, nu klager deze vraag stelde op dezelfde dag als hij de tuchtbeslissing ontving (én er klacht tegen indiende). Evenzeer acht de klachtencommissie het schriftelijk verweer in het kader van een tuchtprocedure niet het gepaste kanaal om dergelijk vraag voor te leggen. Volgens de klachtencommissie kan het niet-antwoorden op deze vraag niet als een verzuim in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet beschouwd worden. De klacht is niet-ontvankelijk.

Klager doet zijn relaas van de aanvraag tot aankoop van een bepaalde spelconsole. Hij voegt het briefjesverkeer tussen hemzelf en de directie toe. In antwoord op het laatste briefje, waartoe de klacht, gelet op de indieningstermijn van artikel 150, §5 Basiswet, beperkt dient te worden, stelt de directie dat een bestelling via Bol.com niet mogelijk is, gelet op de vooruitbetaling. Ze zegt wel mee te zoeken naar een oplossing. Klager verzoekt de klachtencommissie om toestemming voor de aankoop. Volgens de klachtencommissie was er op het ogenblik van indiening van de klacht nog geen sprake van een beslissing van de directie in de zin van artikel 148 Basiswet. Blijkens de aanvullende informatie van de directie werd er pas na het indienen van de klacht (niet gespecificeerd welke datum) een beslissing genomen, met name een weigeringsbeslissing. De klacht is niet-ontvankelijk.