TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - SANCTIE
De directeur heeft zich gebaseerd op de materiële vaststellingen in het RAD waarin de vondsten ter gelegenheid van een celcontrole worden beschreven, evenals de uitspraken van klager ter tuchtzitting. Klager erkende ter tuchtzitting dat alle voorwerpen aan hem toebehoorden. In zijn klacht voert klager verschillende elementen aan om dit tegen te spreken. De klachtencommissie stelt vast dat klager al deze elementen pas voor het eerst aanvoert in zijn klacht. De directie kon er op het ogenblik van het nemen van de tuchtbeslissing dan ook géén rekening mee houden. De klachtencommissie meent bovendien op basis van het verslag van de tuchtzitting te kunnen concluderen dat het gegeven dat ‘ook de directie niet gelooft dat de voorwerpen aan hem toebehoren’ zich beperkt tot het bezit van de GSM, hetgeen dan ook niet aan klager werd toegerekend. Volgens de klachtencommissie ging de directie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten door de feiten bewezen te achten.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat de directie hiervoor een behoorlijke omweg hanteert. Ze komt tot dit besluit op basis van het gegeven dat al de aangetroffen voorwerpen niet op reglementaire wijze binnen de inrichting kunnen verkregen worden, waardoor ze aan een regelmatige controle onttrokken werden, en zo een ernstige aantasting van de orde in de gevangenis betreffen. De klachtencommissie acht deze kwalificatie niet correct. Gelet op hetgeen de directie zelf aanhaalt dienden de feiten volgens de klachtencommissie gekwalificeerd te worden als het bezit van door het huishoudelijk reglement (p. 8) verboden voorwerpen. De feiten betreffen aldus de niet-naleving van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie herkwalificeert de feiten als zodanig. Er zijn op basis van het schriftelijk dossier onvoldoende elementen voorhanden om te besluiten dat de witte pillen of het wit poeder ook door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) uitmaken. De klachtencommissie beperkt zich dan ook tot de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet.
Klager kreeg een tuchtsanctie van 30 dagen ATV voor een inbreuk van de eerste categorie. Volgens de klachtencommissie kon klager enkel gesanctioneerd worden voor de inbreuk van het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Dit maakt een inbreuk van de tweede categorie uit. In geval van een inbreuk van de tweede categorie kan er voor een maximumduur van 15 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet).
De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing (artikel 158, §3, 2° Basiswet). Klager wordt enkel gesanctioneerd voor de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet. De tuchtsanctie wordt beperkt tot 15 dagen ATV. Er wordt géén tegemoetkoming toegekend voor de dagen ATV die klager in overschrijding van deze 15 dagen onderging, aangezien hij aangaf geen tegemoetkoming te willen.
De directeur heeft zich gebaseerd op de materiële vaststellingen in het RAD waarin de vondsten ter gelegenheid van een celcontrole worden beschreven, evenals de uitspraken van klager ter tuchtzitting. Klager erkende ter tuchtzitting dat alle voorwerpen aan hem toebehoorden. In zijn klacht voert klager verschillende elementen aan om dit tegen te spreken. De klachtencommissie stelt vast dat klager al deze elementen pas voor het eerst aanvoert in zijn klacht. De directie kon er op het ogenblik van het nemen van de tuchtbeslissing dan ook géén rekening mee houden. De klachtencommissie meent bovendien op basis van het verslag van de tuchtzitting te kunnen concluderen dat het gegeven dat ‘ook de directie niet gelooft dat de voorwerpen aan hem toebehoren’ zich beperkt tot het bezit van de GSM, hetgeen dan ook niet aan klager werd toegerekend. Volgens de klachtencommissie ging de directie de grenzen van de redelijkheid niet te buiten door de feiten bewezen te achten.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat de directie hiervoor een behoorlijke omweg hanteert. Ze komt tot dit besluit op basis van het gegeven dat al de aangetroffen voorwerpen niet op reglementaire wijze binnen de inrichting kunnen verkregen worden, waardoor ze aan een regelmatige controle onttrokken werden, en zo een ernstige aantasting van de orde in de gevangenis betreffen. De klachtencommissie acht deze kwalificatie niet correct. Gelet op hetgeen de directie zelf aanhaalt dienden de feiten volgens de klachtencommissie gekwalificeerd te worden als het bezit van door het huishoudelijk reglement (p. 8) verboden voorwerpen. De feiten betreffen aldus de niet-naleving van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). De klachtencommissie herkwalificeert de feiten als zodanig. Er zijn op basis van het schriftelijk dossier onvoldoende elementen voorhanden om te besluiten dat de witte pillen of het wit poeder ook door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet) uitmaken. De klachtencommissie beperkt zich dan ook tot de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet.
Klager kreeg een tuchtsanctie van 30 dagen ATV voor een inbreuk van de eerste categorie. Volgens de klachtencommissie kon klager enkel gesanctioneerd worden voor de inbreuk van het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen (artikel 130, 2° Basiswet). Dit maakt een inbreuk van de tweede categorie uit. In geval van een inbreuk van de tweede categorie kan er voor een maximumduur van 15 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet).
De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing (artikel 158, §3, 2° Basiswet). Klager wordt enkel gesanctioneerd voor de inbreuk van artikel 130, 2° Basiswet. De tuchtsanctie wordt beperkt tot 15 dagen ATV. Er wordt géén tegemoetkoming toegekend voor de dagen ATV die klager in overschrijding van deze 15 dagen onderging, aangezien hij aangaf geen tegemoetkoming te willen.