Ga verder naar de inhoud

KC32/23-0205

Ongegrond KC - Turnhout Klachtencommissie Tucht
TUCHT - RECHTEN VAN VERDEDIGING

Volgens de klachtencommissie kon de directie op basis van de RAD’s redelijkerwijs besluiten dat de feiten die hierin beschreven worden, bewezen zijn. Klager poogt zijn gedrag te vergoelijken, maar voert volgens de klachtencommissie geen geloofwaardige tegenindicaties aan die deze vaststellingen weerleggen.

De klachtencommissie stelt wel vast dat één van de RAD's handelt over feiten die zich voordeden ten aanzien van een directielid. Vervolgens was het datzelfde directielid dat het RAD voor kennisname ondertekende en liet toevoegen aan de tuchtprocedure die reeds was opgestart voor een ander RAD. Indien de tuchtrechtelijke inbreuk gepleegd werd ten aanzien van een persoon die bevoegd is om tuchtsancties op te leggen, dient deze zich van de zaak te onthouden (artikel 127, §3 Basiswet). Volgens de klachtencommissie was het op basis van deze bepaling aangewezen dat een ander directielid dan het betrokken directielid kennis had genomen van het RAD en dit had laten toevoegen aan de tuchtprocedure. Aangezien de opstart van een tuchtprocedure echter niet gelijkgesteld kan worden met het daadwerkelijk opleggen van een tuchtsanctie, meent de klachtencommissie dat er in het voorliggend dossier geen sprake is van een schending van de rechten van verdediging op dit punt. De uiteindelijke tuchtbeslissing werd genomen door een ander directielid dan het betrokken directielid.

De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet). De klachtencommissie meent dat de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd is.

Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg hiervoor 14 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.