KC32/23-0208
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Turnhout
Klachtencommissie
Andere beslissing directeur
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - BEVOEGDHEID - BRIEFWISSELING - UITVOERING - KLACHTENPROCEDURE - PERSONEEL
Klager klaagt dat de post van zijn advocaat wordt geopend. Aangezien de directie (blijkens het antwoord op het rapportbriefje van klager) eerst van mening leek dat het openen van post van advocaten wél toegestaan is, oordeelt de klachtencommissie dat er wel sprake lijkt te zijn van een beslissing (lees: handelen) namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De briefwisseling tussen de gedetineerde en de advocaat van zijn keuze is niet onderworpen aan de controle met het oog op de aanwezigheid van de aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties zoals bepaald in artikel 55, §1 Basiswet (artikel 66, §1 Basiswet). De klacht is gegrond.
Klager klaagt dat de post van de minister van Justitie wordt geopend. Aangezien de directie (blijkens het antwoord op het rapportbriefje van klager) eerst van mening leek dat het openen van post van de minister van Justitie wél toegestaan is, oordeelt de klachtencommissie dat er wel sprake lijkt te zijn van een beslissing (lees: handelen) namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De brieven afkomstig van de minister van Justitie zijn niet onderworpen aan de controle met het oog op de aanwezigheid van de aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties zoals bepaald in artikel 55, §1 Basiswet (artikel 57, §1, 3° Basiswet). De klacht is gegrond.
Klager beklaagt zich over de slechte tv-ontvangst en stelt dat hij hier al meermaals compensatie voor gevraagd heeft. Klager heeft zich tot de directeur gewend in een aangelegenheid die hemzelf betreft (artikel 147 Basiswet) en verzoekt de directeur om een geïndividualiseerde beslissing te nemen. Aangezien het huurcontract voor televisie wordt afgesloten tussen een gedetineerde en de directie, is het volgens de klachtencommissie ook aan de directie om hierop een antwoord te verstrekken en aldus een beslissing te nemen. Het uitblijven van een antwoord kan gezien worden als een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148 Basiswet. Uit het verweer van de directie leidt de klachtencommissie bovendien af dat de directie niet de mening is toegedaan dat zij hieromtrent een beslissing dient te nemen. De klacht is gegrond. De klachtencommissie draagt de directie op om binnen de 7 dagen volgend op de betekening van deze beslissing, hieromtrent een beslissing te nemen.
Klager beklaagt zich over het gebrek aan inventaris van gedeponeerde voorwerpen. Klager diende hierover reeds eerder klacht in (KC32/23-0111). In dat dossier werd beslist dat de directie een inventaris moest opmaken. Aangezien klager deze inventaris nog steeds niet ontvangen heeft, betreft de klacht in feite de niet-uitvoering van de beslissing van de klachtencommissie in KC32/23-0111. De klacht is ontvankelijk. De klachtencommissie meent dat hetgeen klager in zijn klacht aanvoert, namelijk dat de inventaris nog niet werd opgemaakt en ontvangen, voor waar kan worden aangenomen. De klacht is gegrond. De klachtencommissie draagt de directie (nogmaals) op om uitvoering te geven aan de beslissing in KC32/23-0111 en klager aldus in het bezit te stellen van een inventaris van de voorwerpen die op zijn naam gedeponeerd werden.
Klager verzocht om de erotische films die gedeponeerd werden via B-post terug te laten sturen naar zijn zus, en hiervan een kassabon te ontvangen. In haar verweer stelt de directie dat hiertoe de opdracht werd gegeven. De klachtencommissie leidt hieruit af dat er iets is misgelopen op het niveau van afhandeling door het personeel. Een louter feitelijk handelen van penitentiair beambten dat geen verband houdt met de uitvoering van een beslissing van de directie, valt op zichzelf, bij gebrek aan een beslissing van (of namens) de directie, niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. (BC/22-0136) De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager verzocht de griffie om kopieën te maken ten behoeve van zijn klachtendossier bij B-post over een aangetekende zending. Volgens klager gaf de griffie hem de documenten terug met de vermelding “wij zijn niet uw persoonlijk secretariaat”. In haar verweer stelt de directie dat ze in samenspraak met de juridische dienst van DG EPI een voorstel wenst te doen omtrent het maken van kopieën binnen de grenzen van het redelijke. Een louter feitelijk handelen van personeelsleden van de griffie dat geen verband houdt met de uitvoering van een beslissing van de directie, valt op zichzelf, bij gebrek aan een beslissing van (of namens) de directie, niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. (BC/22-0136) De klachtencommissie meent dat de directie in het voorliggend dossier in elk geval géén opdracht gaf tot het ontzeggen van de concrete kopieën waar klager het in zijn klacht over heeft. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager voert aan dat hij het gebrek aan detentieplanning formeel aankaartte. De klachtencommissie wijst erop dat niet elk onbeantwoord briefje op zich een verzuim van de directie inhoudt. Of er sprake is van een verzuim, hangt af van het onderwerp van het rapportbriefje. Dit kán aldus het geval zijn, indien de brief een verzoek inhoudt tot het nemen van een concrete beslissing die de directie op grond van een wettelijke verplichting of om redenen van redelijkheid of billijkheid moet nemen. (BC/23-0177) De klachtencommissie citeert het schrijven van klager: “Wat is er al gebeurd inzake detentieplanning directie artikel 38 Basiswet. Nul komma nul. Motto van Turnhout.” De klachtencommissie leest in het schrijven van klager geen verzoek tot het nemen van een concrete beslissing, doch enkel een minachtende boodschap aan het adres van de directie. Volgens de klachtencommissie kan het niet-antwoorden op dit rapportbriefje niet als een verzuim in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet beschouwd worden. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager voert aan dat hij heeft vastgesteld dat de behandeling van een aanvraag openbaarheid van bestuur binnen de eerste 3 dagen plaatsvond, doch dat het antwoord dan meer dan een maand bleef liggen alvorens dat hij ervan ingelicht werd. De directie voert in haar verweer aan dat het geen individuele beslissing van de directeur ten aanzien van klager betreft. Een louter feitelijk handelen van personeelsleden dat geen verband houdt met de uitvoering van een beslissing van de directie, valt op zichzelf, bij gebrek aan een beslissing van (of namens) de directie, niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. (BC/22-0136) De klachtencommissie meent dat de directie in het voorliggend dossier in elk geval géén opdracht gaf tot het al dan niet opzettelijk aan klager onthouden van het antwoord op de aanvraag openbaarheid van bestuur. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager klaagt dat de post van zijn advocaat wordt geopend. Aangezien de directie (blijkens het antwoord op het rapportbriefje van klager) eerst van mening leek dat het openen van post van advocaten wél toegestaan is, oordeelt de klachtencommissie dat er wel sprake lijkt te zijn van een beslissing (lees: handelen) namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De briefwisseling tussen de gedetineerde en de advocaat van zijn keuze is niet onderworpen aan de controle met het oog op de aanwezigheid van de aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties zoals bepaald in artikel 55, §1 Basiswet (artikel 66, §1 Basiswet). De klacht is gegrond.
Klager klaagt dat de post van de minister van Justitie wordt geopend. Aangezien de directie (blijkens het antwoord op het rapportbriefje van klager) eerst van mening leek dat het openen van post van de minister van Justitie wél toegestaan is, oordeelt de klachtencommissie dat er wel sprake lijkt te zijn van een beslissing (lees: handelen) namens de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. De brieven afkomstig van de minister van Justitie zijn niet onderworpen aan de controle met het oog op de aanwezigheid van de aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties zoals bepaald in artikel 55, §1 Basiswet (artikel 57, §1, 3° Basiswet). De klacht is gegrond.
Klager beklaagt zich over de slechte tv-ontvangst en stelt dat hij hier al meermaals compensatie voor gevraagd heeft. Klager heeft zich tot de directeur gewend in een aangelegenheid die hemzelf betreft (artikel 147 Basiswet) en verzoekt de directeur om een geïndividualiseerde beslissing te nemen. Aangezien het huurcontract voor televisie wordt afgesloten tussen een gedetineerde en de directie, is het volgens de klachtencommissie ook aan de directie om hierop een antwoord te verstrekken en aldus een beslissing te nemen. Het uitblijven van een antwoord kan gezien worden als een verzuim om een beslissing te nemen in de zin van artikel 148 Basiswet. Uit het verweer van de directie leidt de klachtencommissie bovendien af dat de directie niet de mening is toegedaan dat zij hieromtrent een beslissing dient te nemen. De klacht is gegrond. De klachtencommissie draagt de directie op om binnen de 7 dagen volgend op de betekening van deze beslissing, hieromtrent een beslissing te nemen.
Klager beklaagt zich over het gebrek aan inventaris van gedeponeerde voorwerpen. Klager diende hierover reeds eerder klacht in (KC32/23-0111). In dat dossier werd beslist dat de directie een inventaris moest opmaken. Aangezien klager deze inventaris nog steeds niet ontvangen heeft, betreft de klacht in feite de niet-uitvoering van de beslissing van de klachtencommissie in KC32/23-0111. De klacht is ontvankelijk. De klachtencommissie meent dat hetgeen klager in zijn klacht aanvoert, namelijk dat de inventaris nog niet werd opgemaakt en ontvangen, voor waar kan worden aangenomen. De klacht is gegrond. De klachtencommissie draagt de directie (nogmaals) op om uitvoering te geven aan de beslissing in KC32/23-0111 en klager aldus in het bezit te stellen van een inventaris van de voorwerpen die op zijn naam gedeponeerd werden.
Klager verzocht om de erotische films die gedeponeerd werden via B-post terug te laten sturen naar zijn zus, en hiervan een kassabon te ontvangen. In haar verweer stelt de directie dat hiertoe de opdracht werd gegeven. De klachtencommissie leidt hieruit af dat er iets is misgelopen op het niveau van afhandeling door het personeel. Een louter feitelijk handelen van penitentiair beambten dat geen verband houdt met de uitvoering van een beslissing van de directie, valt op zichzelf, bij gebrek aan een beslissing van (of namens) de directie, niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. (BC/22-0136) De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager verzocht de griffie om kopieën te maken ten behoeve van zijn klachtendossier bij B-post over een aangetekende zending. Volgens klager gaf de griffie hem de documenten terug met de vermelding “wij zijn niet uw persoonlijk secretariaat”. In haar verweer stelt de directie dat ze in samenspraak met de juridische dienst van DG EPI een voorstel wenst te doen omtrent het maken van kopieën binnen de grenzen van het redelijke. Een louter feitelijk handelen van personeelsleden van de griffie dat geen verband houdt met de uitvoering van een beslissing van de directie, valt op zichzelf, bij gebrek aan een beslissing van (of namens) de directie, niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. (BC/22-0136) De klachtencommissie meent dat de directie in het voorliggend dossier in elk geval géén opdracht gaf tot het ontzeggen van de concrete kopieën waar klager het in zijn klacht over heeft. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager voert aan dat hij het gebrek aan detentieplanning formeel aankaartte. De klachtencommissie wijst erop dat niet elk onbeantwoord briefje op zich een verzuim van de directie inhoudt. Of er sprake is van een verzuim, hangt af van het onderwerp van het rapportbriefje. Dit kán aldus het geval zijn, indien de brief een verzoek inhoudt tot het nemen van een concrete beslissing die de directie op grond van een wettelijke verplichting of om redenen van redelijkheid of billijkheid moet nemen. (BC/23-0177) De klachtencommissie citeert het schrijven van klager: “Wat is er al gebeurd inzake detentieplanning directie artikel 38 Basiswet. Nul komma nul. Motto van Turnhout.” De klachtencommissie leest in het schrijven van klager geen verzoek tot het nemen van een concrete beslissing, doch enkel een minachtende boodschap aan het adres van de directie. Volgens de klachtencommissie kan het niet-antwoorden op dit rapportbriefje niet als een verzuim in de zin van artikel 148, tweede lid Basiswet beschouwd worden. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager voert aan dat hij heeft vastgesteld dat de behandeling van een aanvraag openbaarheid van bestuur binnen de eerste 3 dagen plaatsvond, doch dat het antwoord dan meer dan een maand bleef liggen alvorens dat hij ervan ingelicht werd. De directie voert in haar verweer aan dat het geen individuele beslissing van de directeur ten aanzien van klager betreft. Een louter feitelijk handelen van personeelsleden dat geen verband houdt met de uitvoering van een beslissing van de directie, valt op zichzelf, bij gebrek aan een beslissing van (of namens) de directie, niet onder het toepassingsgebied van het beklagrecht. (BC/22-0136) De klachtencommissie meent dat de directie in het voorliggend dossier in elk geval géén opdracht gaf tot het al dan niet opzettelijk aan klager onthouden van het antwoord op de aanvraag openbaarheid van bestuur. De klacht is niet-ontvankelijk.