TUCHT - PERSONEEL - SANCTIE - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG
Volgens de klachtencommissie kon de directie op basis van het RAD redelijkerwijs besluiten dat de feiten van het leggen van een hand op de schouder op datum van 11 november 2023, evenals het antwoord van klager wanneer hij hierop wordt aangesproken, bewezen zijn. Klager voert immers geen geloofwaardige tegenindicaties aan die deze vaststellingen weerleggen.
Voor wat betreft de overige aangehaalde ‘oude’ elementen die van 'enkele weken geleden' dateren, met name de tik op het achterwerk, wijst de klachtencommissie erop dat klager hiervoor in dit stadium niet meer gesanctioneerd kan worden. Wanneer een lid van het personeel een feit vaststelt waarvan het vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt (…) stelt hij een rapport op voor de directeur. Hij bezorgt dit rapport zo spoedig mogelijk aan de directeur die binnen zeven dagen na de ontvangst van dit rapport handelt overeenkomstig §3 (artikel 144, §1 Basiswet). De praktijk waarbij een incident pas weken later verwerkt wordt in een RAD, waarbij klager er vervolgens alsnog voor gesanctioneerd wordt, strookt niet met hetgeen in artikel 144, §1 Basiswet bepaald wordt.
Bijkomend stelt de klachtencommissie de volgende onnauwkeurigheden vast in de motivering:
- “Betrokkene werd reeds meermaals aangesproken…”. Uit het RAD blijkt niet dat betrokkene meermaals werd aangesproken, doch eerder dat hij hierover voor het eerst werd aangesproken. Deze passage uit de motivering vindt dan ook geen ondersteuning in het (enige) RAD dat in de tuchtprocedure werd behandeld.
- “…op zijn houding ten aanzien van vrouwelijke penitentiaire beambten.” (meervoud). Deze passage uit de motivering vindt geen ondersteuning in het (enige) RAD dat in de tuchtprocedure werd behandeld.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie meent dat de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd is voor wat betreft het leggen van een hand op de schouder van het personeelslid.
Klager kreeg 30 dagen ATV, waarvan 21 effectief en 9 voorwaardelijk. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk. De klachtencommissie acht de sanctie echter onredelijk, gelet op het gegeven dat de sanctie niet meer kan worden opgelegd voor de ‘oude’ feiten (de tik op het achterwerk) en dat klager schijnbaar voor het eerst op zijn gedrag werd aangesproken tijdens het incident van 11 november 2023.
De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing (artikel 158, §3, 2° Basiswet). Klager wordt gesanctioneerd wegens voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), doch enkel voor de feiten die zich op 11 november 2023 voordeden. De nog lopende tuchtsanctie wordt hervormd tot een sanctie van 15 dagen ATV effectief. De overige 15 dagen ATV worden voorwaardelijk opgelegd.
Volgens de klachtencommissie getuigt de motivering van de ontslagbeslissing van een bestraffend oogmerk. Hierdoor maakt ze een verdoken tuchtsanctie uit. Uit het verweer van de directie blijkt nochtans dat het gegeven dat het gedrag van klager niet te rijmen valt met een vertrouwensfunctie de reden van zijn ontslag is. De vaststelling dat het om een verdoken tuchtsanctie gaat, wordt bijkomend ondersteund door het gegeven dat de tewerkstelling van klager reeds tijdens de tuchtzitting ter sprake kwam. De ontslagbeslissing dateert bovendien van dezelfde dag als de tuchtbeslissing. Deze werkwijze strookt niet met de richtlijnen uit de nota “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel” van de Directie Juridische Dienst (publicatiedatum 18 juni 2015).
De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De directie moet een nieuwe beslissing nemen binnen de 7 dagen volgend op de betekening van de beslissing.
Volgens de klachtencommissie kon de directie op basis van het RAD redelijkerwijs besluiten dat de feiten van het leggen van een hand op de schouder op datum van 11 november 2023, evenals het antwoord van klager wanneer hij hierop wordt aangesproken, bewezen zijn. Klager voert immers geen geloofwaardige tegenindicaties aan die deze vaststellingen weerleggen.
Voor wat betreft de overige aangehaalde ‘oude’ elementen die van 'enkele weken geleden' dateren, met name de tik op het achterwerk, wijst de klachtencommissie erop dat klager hiervoor in dit stadium niet meer gesanctioneerd kan worden. Wanneer een lid van het personeel een feit vaststelt waarvan het vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt (…) stelt hij een rapport op voor de directeur. Hij bezorgt dit rapport zo spoedig mogelijk aan de directeur die binnen zeven dagen na de ontvangst van dit rapport handelt overeenkomstig §3 (artikel 144, §1 Basiswet). De praktijk waarbij een incident pas weken later verwerkt wordt in een RAD, waarbij klager er vervolgens alsnog voor gesanctioneerd wordt, strookt niet met hetgeen in artikel 144, §1 Basiswet bepaald wordt.
Bijkomend stelt de klachtencommissie de volgende onnauwkeurigheden vast in de motivering:
- “Betrokkene werd reeds meermaals aangesproken…”. Uit het RAD blijkt niet dat betrokkene meermaals werd aangesproken, doch eerder dat hij hierover voor het eerst werd aangesproken. Deze passage uit de motivering vindt dan ook geen ondersteuning in het (enige) RAD dat in de tuchtprocedure werd behandeld.
- “…op zijn houding ten aanzien van vrouwelijke penitentiaire beambten.” (meervoud). Deze passage uit de motivering vindt geen ondersteuning in het (enige) RAD dat in de tuchtprocedure werd behandeld.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie meent dat de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd is voor wat betreft het leggen van een hand op de schouder van het personeelslid.
Klager kreeg 30 dagen ATV, waarvan 21 effectief en 9 voorwaardelijk. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk. De klachtencommissie acht de sanctie echter onredelijk, gelet op het gegeven dat de sanctie niet meer kan worden opgelegd voor de ‘oude’ feiten (de tik op het achterwerk) en dat klager schijnbaar voor het eerst op zijn gedrag werd aangesproken tijdens het incident van 11 november 2023.
De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing (artikel 158, §3, 2° Basiswet). Klager wordt gesanctioneerd wegens voor de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), doch enkel voor de feiten die zich op 11 november 2023 voordeden. De nog lopende tuchtsanctie wordt hervormd tot een sanctie van 15 dagen ATV effectief. De overige 15 dagen ATV worden voorwaardelijk opgelegd.
Volgens de klachtencommissie getuigt de motivering van de ontslagbeslissing van een bestraffend oogmerk. Hierdoor maakt ze een verdoken tuchtsanctie uit. Uit het verweer van de directie blijkt nochtans dat het gegeven dat het gedrag van klager niet te rijmen valt met een vertrouwensfunctie de reden van zijn ontslag is. De vaststelling dat het om een verdoken tuchtsanctie gaat, wordt bijkomend ondersteund door het gegeven dat de tewerkstelling van klager reeds tijdens de tuchtzitting ter sprake kwam. De ontslagbeslissing dateert bovendien van dezelfde dag als de tuchtbeslissing. Deze werkwijze strookt niet met de richtlijnen uit de nota “Arbeid – tucht – veiligheidsmaatregel” van de Directie Juridische Dienst (publicatiedatum 18 juni 2015).
De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De directie moet een nieuwe beslissing nemen binnen de 7 dagen volgend op de betekening van de beslissing.