TUCHT - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING - TOEREKENBAARHEID
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting en in zijn klacht erkent klager de feiten. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Op het moment dat betrokkene werd ingelicht over het RAD was hij helder en bewust in zijn spreken en handelen. De klachtencommissie stelt vast dat het dossier geen enkel schriftelijk stuk bevat dat dit element onderschrijft. Het bijgevoegde RAD werd niet voor kennisname door klager ondertekend (zelfs niet met een mededeling van weigering van ondertekening). Dit deel van de motivering strookt dan ook niet met de schriftelijke stukken van het dossier. De directie verwijst nochtans naar ‘de beschikbare informatie’, doch het is onduidelijk waar ze deze informatie vandaan heeft.
(2) Ter tuchtzitting bracht betrokkene een helder verhaal, waaruit blijkt dat hij de handelingen doelbewust heeft gesteld. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niet noodzakelijk iets over zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
De motivering inzake de toerekenbaarheid voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Ter tuchtzitting en in zijn klacht erkent klager de feiten. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten op basis van de volgende elementen:
(1) Op het moment dat betrokkene werd ingelicht over het RAD was hij helder en bewust in zijn spreken en handelen. De klachtencommissie stelt vast dat het dossier geen enkel schriftelijk stuk bevat dat dit element onderschrijft. Het bijgevoegde RAD werd niet voor kennisname door klager ondertekend (zelfs niet met een mededeling van weigering van ondertekening). Dit deel van de motivering strookt dan ook niet met de schriftelijke stukken van het dossier. De directie verwijst nochtans naar ‘de beschikbare informatie’, doch het is onduidelijk waar ze deze informatie vandaan heeft.
(2) Ter tuchtzitting bracht betrokkene een helder verhaal, waaruit blijkt dat hij de handelingen doelbewust heeft gesteld. De klachtencommissie wijst er nogmaals op dat de vraag of de geïnterneerde wel verantwoordelijk kan geacht worden voor de feiten, slaat op de vraag of de persoon op het moment van de feiten helder en bewust was, en dus over vrije wil en oordeelsvermogen beschikte en er bewust voor gekozen heeft de feiten te plegen. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niet noodzakelijk iets over zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
De motivering inzake de toerekenbaarheid voldoet niet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd.