TUCHT - BIJSTAND ADVOCAAT
De gedetineerde heeft het recht zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat (artikel 144 §4 Basiswet). De wet specificeert daarbij niet dat dit per se een advocaat naar keuze van de gedetineerde moet zijn. Hoewel dit volgens de klachtencommissie natuurlijk hoogst wenselijk is, stelt de klachtencommissie in elk geval vast dat klager de kans kreeg te worden bijgestaan door “een” advocaat. Er was volgens de klachtencommissie géén sprake van een schending van de rechten van verdediging.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 29 april 2024. Er werd niet ingegaan op de vraag tot het bekijken van de camerabeelden. De klachtencommissie acht deze inschatting terecht. Volgens de klachtencommissie voerde klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte op basis van het RAD. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie. Hij kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
De gedetineerde heeft het recht zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat (artikel 144 §4 Basiswet). De wet specificeert daarbij niet dat dit per se een advocaat naar keuze van de gedetineerde moet zijn. Hoewel dit volgens de klachtencommissie natuurlijk hoogst wenselijk is, stelt de klachtencommissie in elk geval vast dat klager de kans kreeg te worden bijgestaan door “een” advocaat. Er was volgens de klachtencommissie géén sprake van een schending van de rechten van verdediging.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 29 april 2024. Er werd niet ingegaan op de vraag tot het bekijken van de camerabeelden. De klachtencommissie acht deze inschatting terecht. Volgens de klachtencommissie voerde klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het dan ook redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte op basis van het RAD. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde (artikel 129, 5° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde één inbreuk van de eerste en één van de tweede categorie. Hij kreeg 10 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.