TUCHT - TERMIJN - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING
De klacht tegen de tuchtbeslissing van 30 augustus 2024 werd laattijdig ingediend. Klager diende zijn klacht immers pas op 12 september 2024 in, terwijl de beslissing al op 30 augustus 2024 aan hem ter kennis werd gebracht. Klager haalt geen enkele reden aan die de laattijdige indiening verantwoordt. De klacht is niet-ontvankelijk.
De klacht tegen de tuchtbeslissing van 13 september 2024 werd tijdig ingediend. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 4 september 2024 en de twee RAD’s van 8 september 2024, evenals de verklaringen van klager ter tuchtzitting. Volgens de klachtencommissie probeerde klager zijn gedrag ter tuchtzitting weliswaar te vergoelijken, doch haalde hij geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg hiervoor een sanctie van 10 dagen ATV (7 dagen ATV die eerder voorwaardelijk werden opgelegd komen in uitvoer + 3 dagen ATV effectief). De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
De klacht tegen de tuchtbeslissing van 30 augustus 2024 werd laattijdig ingediend. Klager diende zijn klacht immers pas op 12 september 2024 in, terwijl de beslissing al op 30 augustus 2024 aan hem ter kennis werd gebracht. Klager haalt geen enkele reden aan die de laattijdige indiening verantwoordt. De klacht is niet-ontvankelijk.
De klacht tegen de tuchtbeslissing van 13 september 2024 werd tijdig ingediend. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 4 september 2024 en de twee RAD’s van 8 september 2024, evenals de verklaringen van klager ter tuchtzitting. Volgens de klachtencommissie probeerde klager zijn gedrag ter tuchtzitting weliswaar te vergoelijken, doch haalde hij geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van de RAD’s. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet), de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificaties correct en afdoende gemotiveerd. Klager pleegde twee inbreuken van de eerste categorie en één inbreuk van de tweede categorie en kreeg hiervoor een sanctie van 10 dagen ATV (7 dagen ATV die eerder voorwaardelijk werden opgelegd komen in uitvoer + 3 dagen ATV effectief). De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.