Ga verder naar de inhoud

KC32/24-0236

Ongegrond Gegrond KC - Turnhout Klachtencommissie Tucht Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - VERTROUWENSFUNCTIE - MOTIVERING - TUCHT - GEÏNTERNEERDE

Inzake de ontslagbeslissing. De directie motiveerde de ontslagbeslissing door te stellen dat klager niet langer beantwoordt aan de voor de arbeidspost gestelde vereisten omdat hij niet langer te vertrouwen is. De directie verwijst naar “na deze vastgestelde feiten”, waarmee ze lijkt te verwijzen naar een passage uit het bovenste luik van het formulier. De klachtencommissie heeft al herhaaldelijk geoordeeld dat enkel het onderste luik van het standaardformulier in Turnhout de eigenlijke ontslagbeslissing uitmaakt. De motivering die in dit onderste luik wordt verstrekt dient dan ook op zichzelf te staan. Het volstaat met andere woorden niet te verwijzen naar “deze vastgestelde feiten” zonder te verduidelijken over welke feiten het gaat. Volgens de klachtencommissie werd de ontslagbeslissing dan ook niet afdoende gemotiveerd. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd.

Inzake de tuchtbeslissing. De directie heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. Volgens de klachtencommissie voerde klager ter tuchtzitting geen tegenindicaties aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). Ze lijkt zich hiermee vooral te focussen op het gegeven dat klager dreigde om de beambte op zijn “bakkes” te zullen slaan. De klachtencommissie acht de kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd. Dat klager meermaals “hoerenzoon” riep valt volgens de klachtencommissie eerder onder de inbreuk van het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). Dit werd echter niet aangekruist noch gemotiveerd door de directie.

De directie motiveert dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar drie elementen:
(1) Klager functioneert al geruime tijd zonder tuchtinbreuken te plegen. De klachtencommissie meent dat het gegeven dat klager al lange tijd geen tuchtinbreuken pleegde niet meteen dienstig is om de toerekenbaarheid van de feiten aan te tonen, nu dit niet uitsluit dat klager wel degelijk feiten heeft gepleegd die hem echter niet konden worden toegerekend als zijnde tuchtinbreuken, maar bijvoorbeeld therapeutisch werden afgehandeld. Er kan volgens de klachtencommissie dan ook niet worden verwezen naar een schijnbaar constante toestand van toerekenbaarheid voor alle daden/gedrag binnen detentie, aangezien dit niet strookt met het statuut van internering. De klachtencommissie herinnert eraan dat in geval van een geïnterneerde de ontoerekenbaarheid het uitgangspunt is. Het komt aan de directie toe om te motiveren waarom ze deze specifieke feiten (op het specifiek moment dat ze zich voordeden) wél toerekenbaar acht. Dit element is dan ook niet afdoende.
(2) Klager vertelt een helder verhaal op de tuchtzitting, waaruit blijkt dat hij de handelingen doelbewust heeft gesteld. Met een verwijzing naar de toestand van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dat hij nadien alles in een coherent verhaal kan gieten, zegt niet noodzakelijk iets over klager zijn geestestoestand op het moment van de feiten. Dit element is dan ook niet afdoende.
(3) Enkele seconden voor de discussie ontstond was klager helder en bewust in zijn spreken en handelen, anders zou hij niet aan het werk geweest zijn als diender. De klachtencommissie meent dat het gegeven dat klager op het ogenblik van de feiten aan het werk was als diender inderdaad een belangrijke indicator vormde om zijn geestesgesteldheid in te schatten, daar er redelijkerwijze van uitgegaan kan worden dat het personeel een gedetineerde niet zonder meer zijn dagtaak laten aanvatten wanneer er een reden is om te vermoeden dat dit op dat ogenblik tot problematische situaties zou kunnen leiden. Dit is volgens de klachtencommissie a fortiori het geval wanneer de gedetineerde een vertrouwensfunctie uitoefent die een grote bewegingsvrijheid met zich meebrengt, zoals in het geval van klager. De klachtencommissie meent dat de directie zich met dit element terecht uitspreekt over de geestestoestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is afdoende. De motivering van de toerekenbaarheid van de feiten voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet.

Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 10 dagen ATV voorwaardelijk. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.