TUCHT - GEÏNTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID - MOTIVERING
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 2 oktober 2025. Hierin wordt beschreven hoe een beambte bij het bedelen van de kantine een enorm sterke geur van verdovende middelen waarneemt. De beambte, die klager op 11 september 2025 een RAD schreef om dezelfde reden, ging het gesprek aan met klager. Tijdens dit gesprek gaf klager aan dat de opgemerkte geur de geur van hasj was. Wanneer de beambte vraagt of er nog meer verboden middelen aanwezig zijn overhandigt klager een pakje tabak dat volgens hem gecontamineerd is (tabak gemengd met hasj). Ter tuchtzitting erkende klager de feiten, doch vertelt ook dat hij het krankzinnig vindt dat het niet mag. Volgens klager zouden drie dokters buiten hem deze automedicatie aangeraden hebben, maar mogen ze het niet op papier zetten. Ook klager zijn moeder, die verpleegkundige is, geeft dit aan patiënten. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar de volgende elementen:
(1) Op het moment dat klager wordt ingelicht over de vaststellingen, was klager helder en bewust in zijn spreken en handelen en gaf hij zelf nog een pakje tabak met restanten van verboden substanties af
De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar de heldere en coherente manier waarop klager in gesprek gaat met de beambte. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich zo goed als mogelijk over de toestand van klager op het moment van de feiten (vlak na de ontdekking ervan) heeft uitgesproken. Hetgeen de directie aanhaalt, vindt volgens de klachtencommissie steun in het RAD.
(2) Een advies van de psychiater
Hoewel niet vermeld wordt van wanneer dit advies dateert, stelt de klachtencommissie vast dat het advies gevraagd werd naar aanleiding van een “tucht omwille van aanhoudend gebruik van cannabis zonder respect voor de afdelingsregels”. Een voorgaande tuchtbeslissing voor gelijkaardige feiten die ter beoordeling aan de klachtencommissie voorlag dateert van 17 september 2025. In die tuchtbeslissing werd er niet naar dergelijk advies verwezen. Wellicht werd het advies gevraagd naar aanleiding van de feiten in dossier KC32/25-0188 (die dateren van 19 september 2025), waarin de klachtencommissie tot op heden echter het tuchtdossier nog niet ontving. Het advies werd al een eerste keer geciteerd in de tuchtbeslissing in KC32/25-0189. De klachtencommissie meent in elk geval dat het om een recent advies gaat en dat het handelt om tuchtfeiten zoals in het voorliggend dossier. De klachtencommissie stelt vast dat de psychiater geen bezwaar maakt tegen de tuchtrechtelijke sanctionering van klager voor aanhoudend gebruik van cannabis.
(3) Het feit dat klager een helder verhaal vertelt tijdens de zitting, waaruit volgens de directie blijkt dat hij de handelingen doelbewust heeft gesteld
Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet dienstig. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten echter afdoende gemotiveerd op basis van de eerste twee elementen.
De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 2 oktober 2025. Hierin wordt beschreven hoe een beambte bij het bedelen van de kantine een enorm sterke geur van verdovende middelen waarneemt. De beambte, die klager op 11 september 2025 een RAD schreef om dezelfde reden, ging het gesprek aan met klager. Tijdens dit gesprek gaf klager aan dat de opgemerkte geur de geur van hasj was. Wanneer de beambte vraagt of er nog meer verboden middelen aanwezig zijn overhandigt klager een pakje tabak dat volgens hem gecontamineerd is (tabak gemengd met hasj). Ter tuchtzitting erkende klager de feiten, doch vertelt ook dat hij het krankzinnig vindt dat het niet mag. Volgens klager zouden drie dokters buiten hem deze automedicatie aangeraden hebben, maar mogen ze het niet op papier zetten. Ook klager zijn moeder, die verpleegkundige is, geeft dit aan patiënten. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte.
De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie acht deze kwalificatie correct en afdoende gemotiveerd.
In het voorliggend dossier motiveert de directie dat ze klager (geïnterneerd) verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar de volgende elementen:
(1) Op het moment dat klager wordt ingelicht over de vaststellingen, was klager helder en bewust in zijn spreken en handelen en gaf hij zelf nog een pakje tabak met restanten van verboden substanties af
De directie motiveert dat ze klager verantwoordelijk acht voor de hem ten laste gelegde feiten, verwijzend naar de heldere en coherente manier waarop klager in gesprek gaat met de beambte. De klachtencommissie stelt vast dat de directie zich zo goed als mogelijk over de toestand van klager op het moment van de feiten (vlak na de ontdekking ervan) heeft uitgesproken. Hetgeen de directie aanhaalt, vindt volgens de klachtencommissie steun in het RAD.
(2) Een advies van de psychiater
Hoewel niet vermeld wordt van wanneer dit advies dateert, stelt de klachtencommissie vast dat het advies gevraagd werd naar aanleiding van een “tucht omwille van aanhoudend gebruik van cannabis zonder respect voor de afdelingsregels”. Een voorgaande tuchtbeslissing voor gelijkaardige feiten die ter beoordeling aan de klachtencommissie voorlag dateert van 17 september 2025. In die tuchtbeslissing werd er niet naar dergelijk advies verwezen. Wellicht werd het advies gevraagd naar aanleiding van de feiten in dossier KC32/25-0188 (die dateren van 19 september 2025), waarin de klachtencommissie tot op heden echter het tuchtdossier nog niet ontving. Het advies werd al een eerste keer geciteerd in de tuchtbeslissing in KC32/25-0189. De klachtencommissie meent in elk geval dat het om een recent advies gaat en dat het handelt om tuchtfeiten zoals in het voorliggend dossier. De klachtencommissie stelt vast dat de psychiater geen bezwaar maakt tegen de tuchtrechtelijke sanctionering van klager voor aanhoudend gebruik van cannabis.
(3) Het feit dat klager een helder verhaal vertelt tijdens de zitting, waaruit volgens de directie blijkt dat hij de handelingen doelbewust heeft gesteld
Met een verwijzing naar de verklaringen van klager op het ogenblik van de tuchtrechtelijke hoorzitting spreekt de directie zich niet uit over de toestand van klager op het ogenblik van de feiten. Dit element is dan ook niet dienstig. Volgens de klachtencommissie werd de toerekenbaarheid van de feiten echter afdoende gemotiveerd op basis van de eerste twee elementen.
De motivering voldoet aan artikel 144 §6 j° artikel 8 Basiswet. De klacht is ongegrond.