KC32/26-0107
Gegrond
Onontvankelijk
KC - Turnhout
Klachtencommissie
Tucht
Geen beslissing directeur
GEEN BESLISSING DIRECTEUR - TUCHT - KWALIFICATIE INBREUK - MOTIVERING
Klager dient klacht in inzake een piepende kraan. Hij stelt hier al maandenlang over te klagen, maar er wordt geen gevolg aan gegeven. Op de directie rust de verplichting om het nodige te doen wanneer de gedetineerde een probleem signaleert met de uitrusting van de cel. Blijkens het verweer van de directie had zij voorafgaand aan de tuchtzitting echter geen kennis van het probleem met de lekkende kraan. Van zodra de directie dit ter tuchtzitting vernam, werd het nodige in het werk gesteld om het probleem na te kijken en waar nodig te verhelpen. De klachtencommissie heeft geen reden om aan deze verklaring van de directie te twijfelen. De klachtencommissie kan dan ook niet besluiten dat er op het ogenblik van indiening van de klacht sprake was van een verzuim in hoofde van de directie. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager dient klacht in inzake een tuchtbeslissing. Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 18 mei 2026 een tuchtsanctie van 5 dagen ATV voor de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD waarop de directie zich baseerde. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie meent dat de kwalificatie van de feiten als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet) correct is. Hoewel de motivering ervan zeer summier is, acht de klachtencommissie ze afdoende. De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) daarentegen gebrekkig. De klachtencommissie wijst erop dat het niet de bedoeling is dat de motivering enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met het RAD. De directie dient de feiten die in het RAD werden beschreven in de motivering zelf te hernemen (kort omschrijven) alvorens over te gaan tot de kwalificatie. Enkel op die manier is het duidelijk welke feiten door de directie als bewezen worden beschouwd en welke kwalificatie ze eraan geeft. In het voorliggend dossier heeft de directie noch de feiten duidelijk omschreven, noch gemotiveerd op welke wijze deze feiten een aantasting van de orde uitmaken. De kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) kan dan ook niet overeind blijven. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden. Klager kreeg 5 dagen ATV. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. Dit is eveneens het geval na schrapping van de inbreuk van de eerste categorie. De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 5° Basiswet. De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 1° Basiswet, de motivering hiervan en de opgelegde tuchtsanctie van 5 dagen ATV.
Klager dient klacht in inzake een piepende kraan. Hij stelt hier al maandenlang over te klagen, maar er wordt geen gevolg aan gegeven. Op de directie rust de verplichting om het nodige te doen wanneer de gedetineerde een probleem signaleert met de uitrusting van de cel. Blijkens het verweer van de directie had zij voorafgaand aan de tuchtzitting echter geen kennis van het probleem met de lekkende kraan. Van zodra de directie dit ter tuchtzitting vernam, werd het nodige in het werk gesteld om het probleem na te kijken en waar nodig te verhelpen. De klachtencommissie heeft geen reden om aan deze verklaring van de directie te twijfelen. De klachtencommissie kan dan ook niet besluiten dat er op het ogenblik van indiening van de klacht sprake was van een verzuim in hoofde van de directie. De klacht is niet-ontvankelijk.
Klager dient klacht in inzake een tuchtbeslissing. Klager kreeg bij tuchtbeslissing van 18 mei 2026 een tuchtsanctie van 5 dagen ATV voor de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). Volgens de klachtencommissie bracht klager ter tuchtzitting geen elementen aan die doen twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD waarop de directie zich baseerde. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) en het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet). De klachtencommissie meent dat de kwalificatie van de feiten als het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden (artikel 130, 1° Basiswet) correct is. Hoewel de motivering ervan zeer summier is, acht de klachtencommissie ze afdoende. De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) daarentegen gebrekkig. De klachtencommissie wijst erop dat het niet de bedoeling is dat de motivering enkel kan begrepen worden door ze samen te lezen met het RAD. De directie dient de feiten die in het RAD werden beschreven in de motivering zelf te hernemen (kort omschrijven) alvorens over te gaan tot de kwalificatie. Enkel op die manier is het duidelijk welke feiten door de directie als bewezen worden beschouwd en welke kwalificatie ze eraan geeft. In het voorliggend dossier heeft de directie noch de feiten duidelijk omschreven, noch gemotiveerd op welke wijze deze feiten een aantasting van de orde uitmaken. De kwalificatie van de feiten als de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet) kan dan ook niet overeind blijven. Deze kwalificatie dient geschrapt te worden. Klager kreeg 5 dagen ATV. De klachtencommissie oordeelt dat deze sanctie wettelijk en redelijk is. Dit is eveneens het geval na schrapping van de inbreuk van de eerste categorie. De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie beslist tot de gedeeltelijke vernietiging (artikel 158, §3, 3° Basiswet) van de tuchtbeslissing voor wat betreft de inbreuk van artikel 129, 5° Basiswet. De tuchtbeslissing blijft overeind voor wat betreft de inbreuk van artikel 130, 1° Basiswet, de motivering hiervan en de opgelegde tuchtsanctie van 5 dagen ATV.