TUCHT - SANCTIE - WANDELING
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 14.05.2024, uitgesproken door de directie van de gevangenis van Wortel.
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd op 14.05.2024 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie.
Op 12.05.2024 werd een rapport aan de directeur (RAD) opgesteld omdat de opsteller en zijn collega vaststelden dat er een gevecht bezig was op de wandeling. Volgens het RAD zat klager op dat moment bovenop een medegedetineerde. Omstaanders moesten beiden gedetineerden uit elkaar halen. De directeur nam op 13.05.2024 kennis van het RAD en besloot om een tuchtprocedure op te starten.
Bij de beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten, oefent de directeur een discretionaire bevoegdheid uit. Aangezien de tuchtregeling in de Basiswet geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, kan de directeur voor het bewijs steunen op materiële vaststellingen, bekentenissen, getuigenissen of vermoedens, zolang hij bij zijn beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten tot een conclusie komt die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. De rapporten aan de directeur vormen daarbij een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen.
Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. De klachtencommissie stelt vast dat het RAD eenduidig stelt dat beide gedetineerden aan het vechten waren én dat beide personeelsleden zagen hoe klager bovenop de andere gedetineerde zat. De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur hierdoor in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. Voor het bestaan van de tuchtinbreuk is het irrelevant wie de vechtpartij heeft gestart.
Dat klager werd aangevallen, kan een belangrijk element zijn in de bepaling van de tuchtsanctie. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 21 dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan dit maximaal gedurende dertig dagen opgelegd worden. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig.
De klachtencommissie stelt aan de hand van de motivering van de tuchtbeslissing vast dat de directie het argument van de zelfverdediging niet heeft aangenomen na het bekijken van de camerabeelden waaruit bleek dat klager de medegedetineerde heeft aangevallen en niet omgekeerd. Hoewel het, in het licht van het recht op verdediging, aan te bevelen is om de camerabeelden in de toekomst tegensprekelijk te maken door deze te laten zien tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, is de klachtencommissie van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.
De klacht is gericht tegen de tuchtbeslissing van 14.05.2024, uitgesproken door de directie van de gevangenis van Wortel.
De klachtencommissie heeft kennisgenomen van het tuchtdossier. Klager werd op 14.05.2024 tuchtrechtelijk gesanctioneerd wegens de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen of de bedreiging daarmee, een tuchtinbreuk van eerste categorie.
Op 12.05.2024 werd een rapport aan de directeur (RAD) opgesteld omdat de opsteller en zijn collega vaststelden dat er een gevecht bezig was op de wandeling. Volgens het RAD zat klager op dat moment bovenop een medegedetineerde. Omstaanders moesten beiden gedetineerden uit elkaar halen. De directeur nam op 13.05.2024 kennis van het RAD en besloot om een tuchtprocedure op te starten.
Bij de beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten, oefent de directeur een discretionaire bevoegdheid uit. Aangezien de tuchtregeling in de Basiswet geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, kan de directeur voor het bewijs steunen op materiële vaststellingen, bekentenissen, getuigenissen of vermoedens, zolang hij bij zijn beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten tot een conclusie komt die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. De rapporten aan de directeur vormen daarbij een belangrijke basis als bewijs voor een tuchtrechtelijke inbreuk. De directie mag in de motivering van haar beslissing verwijzen naar een voldoende duidelijk opgesteld RAD. Zij mag op basis daarvan een tuchtsanctie opleggen omdat de directie er redelijkerwijze kan van uitgaan dat deze rapporten een correcte weergave zijn van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die het tegendeel aantonen.
Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend. De klachtencommissie stelt vast dat het RAD eenduidig stelt dat beide gedetineerden aan het vechten waren én dat beide personeelsleden zagen hoe klager bovenop de andere gedetineerde zat. De klachtencommissie is van oordeel dat de directeur hierdoor in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager. Voor het bestaan van de tuchtinbreuk is het irrelevant wie de vechtpartij heeft gestart.
Dat klager werd aangevallen, kan een belangrijk element zijn in de bepaling van de tuchtsanctie. De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van 21 dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie kan dit maximaal gedurende dertig dagen opgelegd worden. De tuchtsanctie was bijgevolg wettig.
De klachtencommissie stelt aan de hand van de motivering van de tuchtbeslissing vast dat de directie het argument van de zelfverdediging niet heeft aangenomen na het bekijken van de camerabeelden waaruit bleek dat klager de medegedetineerde heeft aangevallen en niet omgekeerd. Hoewel het, in het licht van het recht op verdediging, aan te bevelen is om de camerabeelden in de toekomst tegensprekelijk te maken door deze te laten zien tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting, is de klachtencommissie van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was.
Om deze redenen is de klacht ongegrond.