TUCHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - TERMIJN
De klachten betreffen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Wortel.
Over de eerste tuchtbeslissing: de tuchtinbreuk werd aan elke betrokken gedetineerde toegerekend omdat de directeur niet weet wie de feiten heeft gepleegd. Gelet op het vermoeden van onschuld, dient de directie te motiveren waarom ze de feiten aan klager individueel toerekent. Uit de motivering en het rapport aan de directeur kan niet afgeleid worden dat klager de feiten heeft gepleegd. De directie meent ook dat klager “minstens deelneming” verweten kan worden omdat hij op de hoogte was van de feiten en verwijt hem dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen door dit te melden aan het personeel. Echter, er bestaat een internationale consensus over het feit dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn, aangezien dergelijke aanname leidt tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid.
De klachtencommissie stelt vast dat de directeur onvoldoende onderzocht heeft of de tuchtinbreuk individueel aan klager kon worden toegerekend. De beslissing van de directie schendt het vermoeden van onschuld en het verbod op collectieve straffen en is derhalve niet genomen met inachtneming van de wettelijke bepalingen. Om deze reden is de klacht gegrond.
Over de tweede tuchtbeslissing: de klacht werd niet ingediend uiterlijk op de zevende dag na die waarop klager kennis kreeg van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. Aldus is de klacht laattijdig. De klacht is niet-ontvankelijk.
De klachten betreffen een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Wortel.
Over de eerste tuchtbeslissing: de tuchtinbreuk werd aan elke betrokken gedetineerde toegerekend omdat de directeur niet weet wie de feiten heeft gepleegd. Gelet op het vermoeden van onschuld, dient de directie te motiveren waarom ze de feiten aan klager individueel toerekent. Uit de motivering en het rapport aan de directeur kan niet afgeleid worden dat klager de feiten heeft gepleegd. De directie meent ook dat klager “minstens deelneming” verweten kan worden omdat hij op de hoogte was van de feiten en verwijt hem dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen door dit te melden aan het personeel. Echter, er bestaat een internationale consensus over het feit dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn, aangezien dergelijke aanname leidt tot een situatie van gevaar voor de interne veiligheid.
De klachtencommissie stelt vast dat de directeur onvoldoende onderzocht heeft of de tuchtinbreuk individueel aan klager kon worden toegerekend. De beslissing van de directie schendt het vermoeden van onschuld en het verbod op collectieve straffen en is derhalve niet genomen met inachtneming van de wettelijke bepalingen. Om deze reden is de klacht gegrond.
Over de tweede tuchtbeslissing: de klacht werd niet ingediend uiterlijk op de zevende dag na die waarop klager kennis kreeg van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen. Aldus is de klacht laattijdig. De klacht is niet-ontvankelijk.