TUCHT - BEWIJS
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “de opzettelijke aantasting van de orde”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en een andere beambte getuige was van de feiten. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Uit het RAD en uit de verklaringen van de leerkracht blijkt immers duidelijk hoe klager zelf zijn medegedetineerde meermaals verbaal heeft uitgedaagd en heeft beledigd. De klachtencommissie is van oordeel dat door de houding van klager de orde en veiligheid inderdaad opzettelijk werd aangetast, aangezien klager zowel storend gedrag tijdens de les heeft vertoond als op de grote koer, en dit in het bijzijn van meerdere andere gedetineerden. Ondanks tussenkomst van een beambte en een waarschuwing, heeft klager zijn ontoelaatbaar gedrag verdergezet. Uit de dossierstukken blijkt dat het conflict tussen klager en zijn medegedetineerde reeds geruime tijd aansleept. De klachtencommissie wijst erop dat klager hierover steeds een melding kan doen bij de directie en een gesprek kan aanvragen. Indien klager inderdaad zelf beledigd zou worden door zijn medegedetineerde, is het echter geenszins een oplossing om als reactie hierop zijn medegedetineerde eveneens uit te dagen, noch om zaken over de strafrechtelijke feiten gepleegd door anderen rond te vertellen. De klachtencommissie besluit hieruit dat klager verschillende kansen heeft gehad om de instructies van het personeel op te volgen, zoals blijkt uit het RAD, hetgeen hij alsnog heeft nagelaten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De klachtencommissie volgt de redenering van de directie dat nergens door de opsteller van het RAD werd vastgesteld dat klager slachtoffer was van slagen uitgedeeld door de betrokken medegedetineerde. Het feit dat klager nadien verwondingen kon laten vaststellen door de gevangenisarts, vormt nog geen bewijs dat deze ook uitgedeeld werden door de betrokken medegedetineerde. Uit het RAD blijkt immers enkel dat er sprake was van een duw tegen de schouder van klager. De klachtencommissie wijst op het feit dat de betrokken medegedetineerde hiervoor tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van tien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de feiten en het uitdagende gedrag van klager naar de betrokken medegedetineerde toe.
Klager dient klacht in omdat hij tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd wegens “de opzettelijke aantasting van de orde”.
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld en een andere beambte getuige was van de feiten. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Uit het RAD en uit de verklaringen van de leerkracht blijkt immers duidelijk hoe klager zelf zijn medegedetineerde meermaals verbaal heeft uitgedaagd en heeft beledigd. De klachtencommissie is van oordeel dat door de houding van klager de orde en veiligheid inderdaad opzettelijk werd aangetast, aangezien klager zowel storend gedrag tijdens de les heeft vertoond als op de grote koer, en dit in het bijzijn van meerdere andere gedetineerden. Ondanks tussenkomst van een beambte en een waarschuwing, heeft klager zijn ontoelaatbaar gedrag verdergezet. Uit de dossierstukken blijkt dat het conflict tussen klager en zijn medegedetineerde reeds geruime tijd aansleept. De klachtencommissie wijst erop dat klager hierover steeds een melding kan doen bij de directie en een gesprek kan aanvragen. Indien klager inderdaad zelf beledigd zou worden door zijn medegedetineerde, is het echter geenszins een oplossing om als reactie hierop zijn medegedetineerde eveneens uit te dagen, noch om zaken over de strafrechtelijke feiten gepleegd door anderen rond te vertellen. De klachtencommissie besluit hieruit dat klager verschillende kansen heeft gehad om de instructies van het personeel op te volgen, zoals blijkt uit het RAD, hetgeen hij alsnog heeft nagelaten. De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De klachtencommissie volgt de redenering van de directie dat nergens door de opsteller van het RAD werd vastgesteld dat klager slachtoffer was van slagen uitgedeeld door de betrokken medegedetineerde. Het feit dat klager nadien verwondingen kon laten vaststellen door de gevangenisarts, vormt nog geen bewijs dat deze ook uitgedeeld werden door de betrokken medegedetineerde. Uit het RAD blijkt immers enkel dat er sprake was van een duw tegen de schouder van klager. De klachtencommissie wijst op het feit dat de betrokken medegedetineerde hiervoor tuchtrechtelijk gesanctioneerd werd.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van tien dagen ATV. Voor een tuchtinbreuk van eerste categorie is de wettelijk toegestane maximumsanctie dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was dus wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op de ernst van de feiten en het uitdagende gedrag van klager naar de betrokken medegedetineerde toe.