KC33/26-0021
Ongegrond
KC - Wortel
Klachtencommissie
Voorlopige maatregel
Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT
Klager diende klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager op een beveiligde cel te plaatsen op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt dat de interne veiligheid werd aangetast. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van plaatsing op een beveiligde cel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De voorlopige maatregel van plaatsing op de beveiligde cel werd op 11 maart 2026 omgevormd naar een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte. Klager diende echter geen klacht in tegen de voorlopige maatregel van 11 maart 2026. De klacht is ongegrond.
Klager diende klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. Hoewel klager beweert het slachtoffer te zijn, meent de klachtencommissie dat er sprake was van een wederzijdse bedreiging en aantasting van de fysieke integriteit. Het RAD vermeldt duidelijk dat klager en zijn celgenoot elkaar vasthadden en luid tegen elkaar riepen. Dit ging nog vooraf aan de slagen die klager door zijn celgenoot toebedeeld kreeg. Ook betwist klager niet zijn celgenoot aan de vinger verwond te hebben.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd.
Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 30 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk.
De klacht is ongegrond.
Klager diende klacht in tegen een voorlopige maatregel. De directeur besliste om klager op een beveiligde cel te plaatsen op basis van de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat uit de motivering van de voorlopige maatregel voldoende blijkt dat de interne veiligheid werd aangetast. De klachtencommissie is dan ook van oordeel dat de beslissing tot het opleggen van de voorlopige maatregel van plaatsing op een beveiligde cel in het voorliggend dossier wettig, redelijk en billijk was. De voorlopige maatregel van plaatsing op de beveiligde cel werd op 11 maart 2026 omgevormd naar een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte. Klager diende echter geen klacht in tegen de voorlopige maatregel van 11 maart 2026. De klacht is ongegrond.
Klager diende klacht in tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de feiten bewezen achtte. Hoewel klager beweert het slachtoffer te zijn, meent de klachtencommissie dat er sprake was van een wederzijdse bedreiging en aantasting van de fysieke integriteit. Het RAD vermeldt duidelijk dat klager en zijn celgenoot elkaar vasthadden en luid tegen elkaar riepen. Dit ging nog vooraf aan de slagen die klager door zijn celgenoot toebedeeld kreeg. Ook betwist klager niet zijn celgenoot aan de vinger verwond te hebben.
De directie kwalificeerde de feiten als de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee (artikel 129, 1° Basiswet). De klachtencommissie oordeelt deze kwalificatie correct is en afdoende gemotiveerd werd.
Klager pleegde een inbreuk van de eerste categorie en kreeg 30 dagen ATV. De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk.
De klacht is ongegrond.