TUCHT - VOORLOPIGE MAATREGEL - GEEN BESLISSING DIRECTEUR - VERBODEN SUBSTANTIES
Klager dient vooreerst klacht in tegen de tuchtbeslissing van 24/04/2025 wegens het gebrek aan een behoorlijke motivering en bewijs, wegens het ontbreken van een eerlijk onderzoek en wegens een onredelijke sanctie. Daarnaast dient klager klacht in tegen de VM van 24/04/2025. Hij schrijft dat er op 21/04/2025 een celcontrole plaatsvond op zijn cel. Daarbij werd er een bruine substantie gevonden. Dit zijn volgens klager kruiden (kurkuma). Bij de tuchtprocedure werd klager gezegd dat dit heroïne is en dat de substantie getest werd op drugs. Volgens klager is er geen test afgenomen. Tot slot dient klager klacht in tegen het pestgedrag van een beambte.
Wat betreft de VM:
De klachtencommissie stelt vast dat klager op zijn klachtenformulier de categorie VM heeft aangekruist en de datum 24/04 heeft ingevuld. Uit de bijkomende informatie die werd opgevraagd, blijkt dat er geen VM werd opgelegd. Bij gebreke aan een beslissing van de directeur, besluit de klachtencommissie dat deze klacht kennelijk onontvankelijk is.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD ondertekend door een getuige. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en in klagers klachtenformulier ontkent klager ten stelligste dat het om heroïne zou gaan. Hij zou hier naar eigen zeggen nooit mee in aanraking gekomen zijn. Echter werd door de politie mondeling aan de directie bevestigd dat het zou gaan om heroïne. De klachtencommissie acht het tegenstrijdig dat klager enerzijds verklaart dat hij dacht dat de substantie kurkuma was en anderzijds dat het van zijn vorige celgenoot is. Bovendien werd er aan de hand van het politieverslag bewijs geleverd dat het om heroïne gaat. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het feit dat het gaat om een vondst van een grote hoeveelheid harddrugs. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Wat betreft het pestgedrag namens een PBA:
De klachtencommissie stelt vast dat er in dit dossier geen sprake is van een concrete, geïndividualiseerde beslissing genomen door of namens de directeur ten aanzien van klager. Evenmin blijkt uit het dossier dat de directie heeft geweigerd of verzuimd om tijdig een beslissing te nemen. Om deze redenen is dit aspect van de klacht niet-ontvankelijk.
Klager dient vooreerst klacht in tegen de tuchtbeslissing van 24/04/2025 wegens het gebrek aan een behoorlijke motivering en bewijs, wegens het ontbreken van een eerlijk onderzoek en wegens een onredelijke sanctie. Daarnaast dient klager klacht in tegen de VM van 24/04/2025. Hij schrijft dat er op 21/04/2025 een celcontrole plaatsvond op zijn cel. Daarbij werd er een bruine substantie gevonden. Dit zijn volgens klager kruiden (kurkuma). Bij de tuchtprocedure werd klager gezegd dat dit heroïne is en dat de substantie getest werd op drugs. Volgens klager is er geen test afgenomen. Tot slot dient klager klacht in tegen het pestgedrag van een beambte.
Wat betreft de VM:
De klachtencommissie stelt vast dat klager op zijn klachtenformulier de categorie VM heeft aangekruist en de datum 24/04 heeft ingevuld. Uit de bijkomende informatie die werd opgevraagd, blijkt dat er geen VM werd opgelegd. Bij gebreke aan een beslissing van de directeur, besluit de klachtencommissie dat deze klacht kennelijk onontvankelijk is.
Wat betreft de tuchtbeslissing:
In eerste instantie meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Bovendien werd het RAD ondertekend door een getuige. De klachtencommissie is ook van oordeel dat klager geen overtuigende elementen heeft aangevoerd waaruit de klachtencommissie kan afleiden dat het rapport geen correcte weergave zou zijn van de feiten. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en in klagers klachtenformulier ontkent klager ten stelligste dat het om heroïne zou gaan. Hij zou hier naar eigen zeggen nooit mee in aanraking gekomen zijn. Echter werd door de politie mondeling aan de directie bevestigd dat het zou gaan om heroïne. De klachtencommissie acht het tegenstrijdig dat klager enerzijds verklaart dat hij dacht dat de substantie kurkuma was en anderzijds dat het van zijn vorige celgenoot is. Bovendien werd er aan de hand van het politieverslag bewijs geleverd dat het om heroïne gaat. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.
De directeur legde een algemene tuchtsanctie op in de vorm van dertig dagen ATV. De tuchtsanctie was wettig. De klachtencommissie is van oordeel dat de sanctie ook niet onredelijk of onbillijk was gelet op het feit dat het gaat om een vondst van een grote hoeveelheid harddrugs. Om deze redenen is de klacht ongegrond.
Wat betreft het pestgedrag namens een PBA:
De klachtencommissie stelt vast dat er in dit dossier geen sprake is van een concrete, geïndividualiseerde beslissing genomen door of namens de directeur ten aanzien van klager. Evenmin blijkt uit het dossier dat de directie heeft geweigerd of verzuimd om tijdig een beslissing te nemen. Om deze redenen is dit aspect van de klacht niet-ontvankelijk.
Er werd een beroepsdossier met referentie BC/25-0262 opgestart