TUCHT - KWALIFICATIE FEITEN - MOTIVERING - SANCTIE - VERBODEN SUBSTANTIES
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 30 april 2025. Hierin wordt beschreven hoe er tijdens de fouille voor de avondwandeling een bruin bolletje verboden substantie wordt aangetroffen dat verborgen zit aan de onderkant van de aansteker die klager bij zich heeft. Volgens de klachtencommissie kon de directeur zich baseren op de inhoud van dit RAD, nu klager hierover geen geloofwaardige tegenindicaties aanhaalt. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). Ter tuchtzitting en in zijn klacht houdt klager vol dat de aansteker waarop het bolletje werd aangetroffen niet van hem was, en dat hij deze per ongeluk heeft meegenomen uit het werkhuis. Hoewel de directie zowel in de tuchtbeslissing als in haar verweer tegen de klacht woordelijk duidelijker had kunnen zijn over het feit of ze geloof hecht aan het verhaal van klager, meent de klachtencommissie dat ze in elk geval afdoende motiveert waarom ze klager schuldig acht aan bezit. De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten correct en afdoende gemotiveerd. In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 30 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet). Klager kreeg 7 dagen ATV. De directie motiveert impliciet waarom ze een sanctie noodzakelijk acht (“Er is in de gevangenis geen gedoogbeleid voor gebruikershoeveelheden.”). De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewezen zijn van de feiten gebaseerd op de materiële vaststellingen zoals opgenomen in het RAD van 30 april 2025. Hierin wordt beschreven hoe er tijdens de fouille voor de avondwandeling een bruin bolletje verboden substantie wordt aangetroffen dat verborgen zit aan de onderkant van de aansteker die klager bij zich heeft. Volgens de klachtencommissie kon de directeur zich baseren op de inhoud van dit RAD, nu klager hierover geen geloofwaardige tegenindicaties aanhaalt. De directie kwalificeerde de feiten als het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). Ter tuchtzitting en in zijn klacht houdt klager vol dat de aansteker waarop het bolletje werd aangetroffen niet van hem was, en dat hij deze per ongeluk heeft meegenomen uit het werkhuis. Hoewel de directie zowel in de tuchtbeslissing als in haar verweer tegen de klacht woordelijk duidelijker had kunnen zijn over het feit of ze geloof hecht aan het verhaal van klager, meent de klachtencommissie dat ze in elk geval afdoende motiveert waarom ze klager schuldig acht aan bezit. De klachtencommissie acht de kwalificatie van de feiten correct en afdoende gemotiveerd. In geval van een inbreuk van de eerste categorie kan er voor een maximumduur van 30 dagen een afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd (artikel 132, 3° Basiswet). Klager kreeg 7 dagen ATV. De directie motiveert impliciet waarom ze een sanctie noodzakelijk acht (“Er is in de gevangenis geen gedoogbeleid voor gebruikershoeveelheden.”). De klachtencommissie acht deze sanctie wettelijk en redelijk. De klacht is ongegrond.