TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS
Klager kreeg een tuchtsanctie van 3 dagen ATV voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat de directie er zonder meer vanuit is gegaan dat klager in het bezit was van een verboden substantie op basis van de reactie van de drugshond. De directie geeft in de tuchtbeslissing aan dat de reactie van de drugshond op een duurzaam contact met een vermoedelijk verboden substantie wijst. Hoewel drugshonden over een getraind reukorgaan beschikken, wijst de klachtencommissie er op dat er sprake kan zijn van zgn. secondary transfer van de geur. Ook een vals positieve melding is mogelijk. Een reactie van een drugshond kan dan ook slechts een vermoeden opleveren van de aanwezigheid van drugs en een aanleiding zijn om nader onderzoek te voeren, maar vormt op zichzelf géén bewijs van aanwezigheid van drugs. (BC/22-0253)
De verdere fouillering van klager en de celcontrole bleken negatief en leverden geen bewijs op voor het bewezen verklaren van de feiten. Er waren dus geen verdere elementen waaruit het bezit van een verboden substantie bleek. De directie kon zich niet enkel baseren op de aanwijzingen door drugshond om klager te sanctioneren voor het bezit van een verboden substantie. Om deze redenen is de klacht gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hier niet om verzocht heeft.
Klager kreeg een tuchtsanctie van 3 dagen ATV voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties (artikel 129, 7° Basiswet). De klachtencommissie stelt vast dat de directie er zonder meer vanuit is gegaan dat klager in het bezit was van een verboden substantie op basis van de reactie van de drugshond. De directie geeft in de tuchtbeslissing aan dat de reactie van de drugshond op een duurzaam contact met een vermoedelijk verboden substantie wijst. Hoewel drugshonden over een getraind reukorgaan beschikken, wijst de klachtencommissie er op dat er sprake kan zijn van zgn. secondary transfer van de geur. Ook een vals positieve melding is mogelijk. Een reactie van een drugshond kan dan ook slechts een vermoeden opleveren van de aanwezigheid van drugs en een aanleiding zijn om nader onderzoek te voeren, maar vormt op zichzelf géén bewijs van aanwezigheid van drugs. (BC/22-0253)
De verdere fouillering van klager en de celcontrole bleken negatief en leverden geen bewijs op voor het bewezen verklaren van de feiten. Er waren dus geen verdere elementen waaruit het bezit van een verboden substantie bleek. De directie kon zich niet enkel baseren op de aanwijzingen door drugshond om klager te sanctioneren voor het bezit van een verboden substantie. Om deze redenen is de klacht gegrond. De tuchtbeslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie kent géén tegemoetkoming toe aangezien klager hier niet om verzocht heeft.