Ga verder naar de inhoud

KC39/26-0001

Ongegrond KC - Olen Klachtencommissie Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLERING - TUCHT

- Met betrekking tot de fouillering
De klachtencommissie is vooreerst van oordeel dat uit de motivering van de fouillering op het lichaam duidelijk blijkt wat de individuele aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. De directie kreeg immers de dagen ervoor consistente en geloofwaardige signalen van het personeel dat klager in het bezit was van verboden substanties. De directie heeft duidelijk uitgelegd dat gelet op het feit dat een detentiehuis een drugsvrije omgeving is, de fouillering op het lichaam noodzakelijk was om na te gaan of klager inderdaad verboden substanties of voorwerpen binnenbrengt in het detentiehuis, zeker gelet op zijn dagelijkse uitgaansvergunningen en dagelijks contact met derden. De klachtencommissie is daarnaast van oordeel dat de directie voldoende specifiek heeft uitgelegd waarom een onderzoek aan de kledij niet kan volstaan om deze voorwerpen of substanties effectief te vinden.

Klager wijst op het feit dat de directie de fouillering ’s morgens heeft bevolen, en deze pas om ‘19u20’ zou zijn uitgevoerd. Uit de schriftelijke beslissing tot fouillering op het lichaam blijkt inderdaad dat de directie deze fouillering om 10u30 heeft bevolen en die om 19u10 werd uitgevoerd. De klachtencommissie merkt op dat artikel 108, § 2 van de Basiswet enkel een termijn bepaalt waarbinnen de schriftelijke beslissing tot fouillering aan de gedetineerde dient te worden bezorgd, maar niets over het tijdsverloop tussen de beslissing om over te gaan tot de fouillering en de effectieve uitvoering ervan. Ook collectieve brief nr. 141 van 30 januari 2017 over de fouillering op het lichaam bepaalt geen bepaalde wettelijke maximumtermijn tussen de beslissing tot fouillering en de effectieve uitvoering ervan. De beslissing is bijgevolg wettig. De klachtencommissie meent bovendien dat het ook niet onredelijk of onbillijk was om eerst de urinetest uit te voeren, en na een positief resultaat bij de urinetest pas over te gaan tot de fouillering op het lichaam van klager, zeker gelet op het subsidiariteitsbeginsel.

- Met betrekking tot de tucht
Wat betreft de verboden substanties meent de klachtencommissie dat het RAD duidelijk werd opgesteld. Tijdens een plascontrole heeft klager positief getest op cocaïne. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting stelt klager zelf dat hij illegale vetverbranders heeft genomen, maar ontkent hij dat het om cocaïne ging. De klachtencommissie stelt vast dat voor het bewezen verklaren zijn van de tuchtrechtelijke inbreuk “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden substanties”, het irrelevant is of het om cocaïne of om illegale vetverbranders ging. In beide gevallen gaat het immers om een verboden substantie. Klager heeft zelf toegegeven deze te hebben genomen.

Wat betreft de vondst van de tweede gsm meent de klachtencommissie dat het RAD op dit punt eveneens duidelijk en helder is. Tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting geeft klager ook toe dat hij twee gsm’s op cel had, omdat hij zijn oude met de nieuwe gsm wou wisselen. De klachtencommissie stelt vast dat het huishoudelijk reglement van Olen inderdaad op pagina 8 bepaalt dat bewoners maximaal één gsm op cel mogen hebben.
De directie heeft afdoende gemotiveerd waarom de feiten een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakten. De klachtencommissie besluit dat de directeur in redelijkheid en billijkheid de tuchtinbreuk kon bewezen verklaren in hoofde van klager.