TUCHT - MOTIVERING
De klacht betreft de tuchtbeslissing van 19 juli 2024 van de directie van de gevangenis.
De aangevochten beslissing betreft in deze zaak een tuchtbeslissing van 19 juli 2024. De voorwaarden waaronder de directeur zo’n beslissing kan nemen, zijn wettelijk vastgelegd. Klager kreeg in voorliggende zaak 14 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan ‘de opzettelijke aantasting van de orde’. De tuchtbeslissing is gebaseerd op een rapport aan de directeur (RAD) van 15 juli 2024. Daarin beschrijft een beambte wat er werd aangetroffen bij een controle op klagers verblijfsruimte: een gemanipuleerde stylohuls die een bruine kleur heeft, papier met zinnen zoals ‘Per 1KG Morfine basis, 1L Tolueen’, ‘Opium bollen = basis morfine’ en ‘1Kilo Opium 2L Water’ en een afgescheurd strookje met de zin ‘yes to weed’.
De klachtencommissie kan uit de motivering van de tuchtbeslissing niet afleiden hoe de vondst aanzien moet worden als een opzettelijke aantasting van de orde. De directie schrijft in haar tuchtbeslissing dat klager doelbewust provoceert met dergelijke recepturen, in combinatie met lege bic-buisjes die intern bruin gekleurd zijn, en dat dit een aantasting uitmaakt van de orde en de goede
werking van de inrichting. De directie motiveert echter niet waarom of op welke manier deze feiten een opzettelijke aantasting van de orde uitmaken. De klachtencommissie stelt aldus een schending
van artikel 8 van de Basiswet vast. Bovendien stelt de directie in haar beslissing dat er sprake is van doelbewuste provocatie. Hiervan levert zij geen bewijs. Het bijzonder opzet van klager (nl. het feit dat hij willens en wetens handelt), wordt nochtans vereist om de tuchtinbreuk (‘de opzettelijke aantasting van de orde’) te weerhouden,maar werd onvoldoende aangetoond of gemotiveerd door de directie.
De klachtencommissie acht de tuchtinbreuk ‘de opzettelijke aantasting van de orde’ niet bewezen. De klachtencommissie begrijpt uit de motivering van de tuchtbeslissing dat de directie klager ook wil
sanctioneren voor zijn gedrag ter zitting (“Betrokkene komt zeer arrogant over, ook tijdens de zitting, en dient te beseffen dat als er zoiets op zijn cel gevonden wordt, dat hij daarover aangesproken
wordt. […] Zijn gedrag laat te wensen over en hij dient zich in de toekomst op een constructieve manier op te stellen. We willen hem met deze sanctie dan ook een signaal geven naar de toekomst
toe.”). Dit zijn echter niet de feiten die zijn opgenomen in het RAD van 15 juli 2024, waarvoor hij gesanctioneerd kon worden in deze tuchtprocedure. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing en zegt dat deze geschrapt dient te worden uit het tuchtregister van klager. Zij kent verder geen tegemoetkoming toe.
De klacht betreft de tuchtbeslissing van 19 juli 2024 van de directie van de gevangenis.
De aangevochten beslissing betreft in deze zaak een tuchtbeslissing van 19 juli 2024. De voorwaarden waaronder de directeur zo’n beslissing kan nemen, zijn wettelijk vastgelegd. Klager kreeg in voorliggende zaak 14 dagen ATV omdat hij door de directeur schuldig werd bevonden aan ‘de opzettelijke aantasting van de orde’. De tuchtbeslissing is gebaseerd op een rapport aan de directeur (RAD) van 15 juli 2024. Daarin beschrijft een beambte wat er werd aangetroffen bij een controle op klagers verblijfsruimte: een gemanipuleerde stylohuls die een bruine kleur heeft, papier met zinnen zoals ‘Per 1KG Morfine basis, 1L Tolueen’, ‘Opium bollen = basis morfine’ en ‘1Kilo Opium 2L Water’ en een afgescheurd strookje met de zin ‘yes to weed’.
De klachtencommissie kan uit de motivering van de tuchtbeslissing niet afleiden hoe de vondst aanzien moet worden als een opzettelijke aantasting van de orde. De directie schrijft in haar tuchtbeslissing dat klager doelbewust provoceert met dergelijke recepturen, in combinatie met lege bic-buisjes die intern bruin gekleurd zijn, en dat dit een aantasting uitmaakt van de orde en de goede
werking van de inrichting. De directie motiveert echter niet waarom of op welke manier deze feiten een opzettelijke aantasting van de orde uitmaken. De klachtencommissie stelt aldus een schending
van artikel 8 van de Basiswet vast. Bovendien stelt de directie in haar beslissing dat er sprake is van doelbewuste provocatie. Hiervan levert zij geen bewijs. Het bijzonder opzet van klager (nl. het feit dat hij willens en wetens handelt), wordt nochtans vereist om de tuchtinbreuk (‘de opzettelijke aantasting van de orde’) te weerhouden,maar werd onvoldoende aangetoond of gemotiveerd door de directie.
De klachtencommissie acht de tuchtinbreuk ‘de opzettelijke aantasting van de orde’ niet bewezen. De klachtencommissie begrijpt uit de motivering van de tuchtbeslissing dat de directie klager ook wil
sanctioneren voor zijn gedrag ter zitting (“Betrokkene komt zeer arrogant over, ook tijdens de zitting, en dient te beseffen dat als er zoiets op zijn cel gevonden wordt, dat hij daarover aangesproken
wordt. […] Zijn gedrag laat te wensen over en hij dient zich in de toekomst op een constructieve manier op te stellen. We willen hem met deze sanctie dan ook een signaal geven naar de toekomst
toe.”). Dit zijn echter niet de feiten die zijn opgenomen in het RAD van 15 juli 2024, waarvoor hij gesanctioneerd kon worden in deze tuchtprocedure. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing en zegt dat deze geschrapt dient te worden uit het tuchtregister van klager. Zij kent verder geen tegemoetkoming toe.