KC38/25-0037
Ongegrond
Onontvankelijk
KC - Dendermonde-Hulp
Klachtencommissie
Overplaatsing
Voorlopige maatregel
Tucht
Geen beslissing directeur
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - EXTERNE RECHTSPOSITIE - OVERPLAATSING
Klager kreeg op 2 juli 2025 de voorlopige maatregel van het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). Volgens de klachtencommissie is de beslissing enigszins gebrekkig doordat de opdeling in artikel 145 Basiswet niet gerespecteerd wordt. De voorlopige maatregel werd volgens de aankruising op het formulier opgelegd op grond van “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” (artikel 145, eerste lid Basiswet). De schriftelijke motivering werd op het formulier van de beslissing echter vormelijk geplaatst onder de grond van “gevaar voor de orde of de veiligheid” (artikel 145, tweede lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat deze onnauwkeurigheid te wijten is aan het formulier CB 124 bijlage 6 zoals ontworpen door DG EPI, dat een bepaalde verwarring veroorzaakt. De klachtencommissie acht het aangewezen dat dit sjabloon door DG EPI herbekeken wordt, zodat de opties van artikel 145 j° art. 112 Basiswet correcter worden weergegeven. Voor het opleggen van de voorlopige maatregel van het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte diende een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” aangetoond te worden. De klachtencommissie meent dat de motivering die de directie gaf voldoende verantwoordde dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Hoewel de motivering verkeerd geplaatst werd, kon de directie volgens de klachtencommissie in elk geval overgaan tot het opleggen van een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte. De klachtencommissie meent dan ook dat de onnauwkeurigheid in het voorliggend dossier niet hoeft te leiden tot de nietigheid van de gehele beslissing, nu de directie ook in het bovenste luik (weliswaar summier) verwees naar het bezit van verdachte substanties. De klacht is ongegrond.
Klager beklaagt zich over een “tuchtbeslissing” van 2 juli 2025. De klachtencommissie stelt vast dat er op 2 juni 2025 twee RAD’s werden geschreven, doch dat de daaropvolgende tuchtbeslissing pas dateert van 4 juli 2025. Een RAD (ten gevolge waarvan nadien eventueel een tuchtbeslissing wordt genomen) betreft op zichzelf géén beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. Klager stelde zijn klacht op 3 juli 2025 op. De klacht moet worden ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen (artikel 150 §5 Basiswet). Gelet op deze bepaling kan de klachtencommissie de klacht niet beschouwen als zijnde correct ingediend tegen de tuchtbeslissing (die op het ogenblik van de indiening van de klacht nog niet genomen was). De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet inhoudelijk beoordelen.
Klager beklaagt zich over de schorsing van zijn uitgaansvergunningen. De klachtencommissie spreekt zich enkel uit over een beslissing te nemen in het kader van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving, d.w.z. over de ‘interne rechtspositie’. Een klacht die handelt over de schorsing van uitgaansvergunningen kadert binnen de ‘externe rechtspositie’ van klager en valt daardoor buiten de bevoegdheid van de klachtencommissie. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet inhoudelijk beoordelen.
Klager stelt dat hij graag terug wil naar Oudenaarde. Een klacht inzake een overplaatsing behoort niet tot het toepassingsgebied van het beklagrecht nu het de ambtenaren van de penitentiaire administratie die hiertoe door de directeur-generaal worden aangewezen zijn die beslissen over plaatsing en overplaatsing (artikel 18, §1 Basiswet) en niet de lokale directie. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet inhoudelijk beoordelen.
Klager kreeg op 2 juli 2025 de voorlopige maatregel van het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte opgelegd (artikel 145, §1, eerste lid Basiswet). Volgens de klachtencommissie is de beslissing enigszins gebrekkig doordat de opdeling in artikel 145 Basiswet niet gerespecteerd wordt. De voorlopige maatregel werd volgens de aankruising op het formulier opgelegd op grond van “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” (artikel 145, eerste lid Basiswet). De schriftelijke motivering werd op het formulier van de beslissing echter vormelijk geplaatst onder de grond van “gevaar voor de orde of de veiligheid” (artikel 145, tweede lid Basiswet). De klachtencommissie meent dat deze onnauwkeurigheid te wijten is aan het formulier CB 124 bijlage 6 zoals ontworpen door DG EPI, dat een bepaalde verwarring veroorzaakt. De klachtencommissie acht het aangewezen dat dit sjabloon door DG EPI herbekeken wordt, zodat de opties van artikel 145 j° art. 112 Basiswet correcter worden weergegeven. Voor het opleggen van de voorlopige maatregel van het verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte diende een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” aangetoond te worden. De klachtencommissie meent dat de motivering die de directie gaf voldoende verantwoordde dat er sprake was van een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Hoewel de motivering verkeerd geplaatst werd, kon de directie volgens de klachtencommissie in elk geval overgaan tot het opleggen van een verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte. De klachtencommissie meent dan ook dat de onnauwkeurigheid in het voorliggend dossier niet hoeft te leiden tot de nietigheid van de gehele beslissing, nu de directie ook in het bovenste luik (weliswaar summier) verwees naar het bezit van verdachte substanties. De klacht is ongegrond.
Klager beklaagt zich over een “tuchtbeslissing” van 2 juli 2025. De klachtencommissie stelt vast dat er op 2 juni 2025 twee RAD’s werden geschreven, doch dat de daaropvolgende tuchtbeslissing pas dateert van 4 juli 2025. Een RAD (ten gevolge waarvan nadien eventueel een tuchtbeslissing wordt genomen) betreft op zichzelf géén beslissing van de directeur in de zin van artikel 148 Basiswet. Klager stelde zijn klacht op 3 juli 2025 op. De klacht moet worden ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen (artikel 150 §5 Basiswet). Gelet op deze bepaling kan de klachtencommissie de klacht niet beschouwen als zijnde correct ingediend tegen de tuchtbeslissing (die op het ogenblik van de indiening van de klacht nog niet genomen was). De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet inhoudelijk beoordelen.
Klager beklaagt zich over de schorsing van zijn uitgaansvergunningen. De klachtencommissie spreekt zich enkel uit over een beslissing te nemen in het kader van de Basiswet en de daaruit voortvloeiende regelgeving, d.w.z. over de ‘interne rechtspositie’. Een klacht die handelt over de schorsing van uitgaansvergunningen kadert binnen de ‘externe rechtspositie’ van klager en valt daardoor buiten de bevoegdheid van de klachtencommissie. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet inhoudelijk beoordelen.
Klager stelt dat hij graag terug wil naar Oudenaarde. Een klacht inzake een overplaatsing behoort niet tot het toepassingsgebied van het beklagrecht nu het de ambtenaren van de penitentiaire administratie die hiertoe door de directeur-generaal worden aangewezen zijn die beslissen over plaatsing en overplaatsing (artikel 18, §1 Basiswet) en niet de lokale directie. De klacht is niet-ontvankelijk. De klachtencommissie kan de klacht niet inhoudelijk beoordelen.