Ga verder naar de inhoud

KC38/25-0050

Gegrond KC - Dendermonde-Hulp Klachtencommissie Tucht Ordemaatregel
ORDEMAATREGEL - BEZOEK - MOTIVERING - TUCHT - ARBEID - ONTSLAG

Klager dient klacht in tegen een weigering van ongestoord bezoek. De klachtencommissie stelt vast dat de weigeringsbeslissing weliswaar ‘verwijst’ naar het PSD-verslag van 5 september 2025, maar dat hiervan geen enkel inhoudelijk element hernomen wordt. Klager werd bij het ontvangen van de weigeringsbeslissing ook niet in het bezit gesteld van dit verslag van de PSD, maar kon het nadien via openbaarheid van bestuur bekomen. Op het ogenblik van indiening van zijn klacht had hij nog geen kennis van de inhoud ervan. De klachtencommissie wijst erop dat de motivering van de weigeringsbeslissing op zichzelf dient te staan. De directie had dan ook de relevante elementen uit het PSD-verslag in de beslissing zelf moeten opnemen (zoals ze dit ook deed in haar verweer tegen de klacht), zodat de reden van de weigering voor klager duidelijk was. De klachtencommissie oordeelt dat de weigeringsbeslissing niet voldoet aan artikel 59, §3 Basiswet j° artikel 8 Basiswet aangezien ze niet afdoende gemotiveerd werd. De klacht is gegrond. De bestreden beslissing wordt vernietigd. De klachtencommissie draagt de directie op om binnen de 14 dagen na ontvangst van deze beslissing van de klachtencommissie een nieuwe beslissing te nemen, rekening houdende met deze uitspraak (artikel 158, §3, 1° Basiswet).

Klager dient klacht in tegen een tuchtbeslissing. De klachtencommissie acht het redelijk dat de directie de in de RAD’s beschreven vaststellingen bewezen achtte. De klachtencommissie vindt de tuchtbeslissing echter gebrekkig op de volgende wijze. De feiten waarvoor klager gesanctioneerd wordt, worden niet omschreven. Het is volgens de klachtencommissie onduidelijk op welk gedrag van klager de kwalificatie van het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis (artikel 130, 3° Basiswet) terugslaat. De klachtencommissie acht de kwalificatie dan ook niet correct. Klager wordt daarnaast ook gesanctioneerd voor de inbreuk van de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7° (artikel 129, 5° Basiswet). Op deze kwalificatie werd niet teruggekomen in de motivering. Het is volgens de klachtencommissie daardoor onduidelijk op welk gedrag van klager dit terugslaat. Gelet op deze tekortkomingen oordeelt de klachtencommissie dat de tuchtbeslissing niet voldoet aan artikel 144, §6, tweede lid j° artikel 8 Basiswet. De klacht is gegrond. De bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd.

Klager klaagt ook over de “gedeeltelijke afzetting” van werk. De klachtencommissie meent dat klager dit als zodanig geformuleerd heeft omdat hij enerzijds zijn job verloor aangezien hij gedurende zijn ATV niet zou kunnen gaan werken (maar zijn functie in de keuken wel ingevuld diende te worden) maar de directie anderzijds al ter tuchtzitting meedeelde dat hij na afloop van de ATV wel een interimfunctie in de keuken zou kunnen krijgen. Het gegeven dat klager zijn werk kwijtraakte, was geen (aparte) beslissing van de directeur maar een feitelijk gevolg van de tuchtbeslissing die ten aanzien van klager werd genomen. Aangezien de bestreden tuchtbeslissing wordt vernietigd, moet de directie de gevolgen daarvan ongedaan maken (artikel 158, §4 Basiswet). Het feit dat klager zijn werk kwijtraakte, is aldus een gevolg dat door de directie ongedaan gemaakt moet worden.