Ga verder naar de inhoud

KC38/26-0018

Ongegrond KC - Dendermonde-Hulp Klachtencommissie Bijzondere veiligheidsmaatregel
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL

De klacht is gericht tegen de beslissing van de directie om de BVM, die initieel opgelegd werd, te verlengen. Klager werd door de eerste BVM uitgesloten van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten waarbij de noodzaak van deze veiligheidsmaatregel dagelijks zou worden geëvalueerd. Gedurende de eerste BVM blijken er drie rapporten aan de directeur (RAD) te zijn opgemaakt. De directeur kennis van deze drie rapporten en hoorde klager. Uit het verslag van het horen blijkt dat klager niet begreep waarom hij het voorwerp uitmaakte van een BVM en waarom zijn gedrag problematisch was. Klager brak het gesprek af en gooide de deur dicht.

De directeur motiveerde in de bestreden beslissing de noodzaak tot verlenging van de BVM. Aangezien klager intussen drie rapporten had opgelopen, was de directie van oordeel dat klager het nog steeds moeilijk had om de regels na te leven. De BVM werd verlengd met zeven dagen. Klager werd nog steeds uitgesloten van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten en diende verder te verblijven in de beveiligde cel tenzij de directie van oordeel was dat een verblijf in een gewone cel mogelijk was. Dit zou dagelijks geëvalueerd worden.

In de Basiswet wordt orde omschreven als een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis. De klachtencommissie is van oordeel dat uit de RAD’s blijkt dat klager nog steeds gedrag stelde dat niet conform een menswaardig samenlevingsklimaat was zodat de verlenging van de opgelegde BVM gerechtvaardigd was. Om deze reden is de klacht ongegrond.