Ga verder naar de inhoud

BC/21-0007

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie
ORDEMAATREGEL - ARBEID - CELMUTATIE - TUCHT

Met betrekking tot de celmutatie: Zoals appellant zelf erkent in zijn beroepsschrift, is het een gunst van de directie om appellant samen in één cel te laten verblijven met zijn zonen. De directie kan deze gunst dan ook te allen tijde herroepen. De Beroepscommissie meent dat de directie, rekening houdend met het in stand houden van de orde en de veiligheid binnen de inrichting, op een redelijke wijze kon beslissing dat er na de feiten te weinig vertrouwen was om appellant opnieuw samen met zijn zonen in dezelfde cel te laten verblijven. De Beroepscommissie treedt de Klachtencommissie bij in haar oordeel dat deze beslissing in alle redelijkheid werd genomen en in verhouding staat met de vaststellingen.
Het beroep is ongegrond.

Met betrekking tot de ordemaatregel tot afzetting van werk: Net zoals voor de celmutatie kan redelijkerwijze worden aangenomen dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan gelet op de feiten, waarvoor appellant een berisping werd opgelegd. In dat kader is het aannemelijk dat de directie appellant geen vertrouwensfunctie meer kan laten uitoefenen, uit overwegingen ingegeven door de orde en veiligheid binnen de inrichting. Tot slot bevestigt de Beroepscommissie dat het principieel recht van appellant om deel te nemen aan de beschikbare arbeid niet in het gedrang komt, nu hij nog steeds een aanvraag kan doen om zich op de wachtlijst te zetten voor een andere functie.
Het beroep is ongegrond.

Met betrekking tot stopzetting huurovereenkomst: De Beroepscommissie is van oordeel dat de huurovereenkomst werd stopgezet conform het huurreglement, waarvan appellant kennis had en waarmee hij akkoord is gegaan. In dit reglement is immers bepaald dat de overeenkomst zal worden stopgezet in geval van een tuchtsanctie met betrekking tot het gebruik van de PC op cel. De stopzetting is dus een rechtstreekse toepassing van het reglement en was dan ook geoorloofd.
Het beroep is ongegrond.