Ga verder naar de inhoud

BC/22-0019

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie
TUCHT - MOTIVERING - GEINTERNEERDE - TOEREKENBAARHEID

De Beroepscommissie stelt vast dat de huidige instructies van DG EPIniet meer geheel conform de constante rechtspraak van de Raad van State blijken, door niet langer een voorafgaand psychiatrisch advies te vereisen omtrent geïnterneerden. De instructies van DG EPI benadrukken wel nog steeds terecht het belang van de motiveringsplicht die hoe dan ook rust op de directie als steller van de akte. Immers ook wanneer er wel een voorafgaand psychiatrisch advies voorligt, ontslaat dit volgens de Beroepscommissie de directeur niet van de op haar rustende motiveringsplicht omtrent de overige elementen in het administratief dossier waaruit blijkt dat de gepleegde feiten aan de betrokken geïnterneerde kunnen worden toegerekend.

De Beroepscommissie is van oordeel dat de Klachtencommissie terecht veel belang hechtte aan de motiveringsplicht, die zich hoe dan ook uitstrekte tot het moment van de feiten en niet slechts tot “de toestand ter tuchtrechtelijke hoorzitting”. De Klachtencommissie oordeelde evenzeer terecht dat het feit dat klager deelneemt aan het ‘normale regime’ en bepaalde feiten niet betwist en zelfs erkent, de directeur niet ontslaat van een motivering met betrekking tot de individuele toerekenbaarheid “op het moment van het plegen ervan”. Appellant kan dan ook niet worden gevolgd waar deze van oordeel is dat de Klachtencommissie “de lat te hoog legt” wat betreft de motiveringsplicht.

De Beroepscommissie is tevens van oordeel dat een voorafgaande beoordeling door een arts-psychiater omtrent de toestand van de geïnterneerde op het moment van het plegen van de tuchtinbreuk in casu noodzakelijk was, opdat de directeur op grond van het voorliggende administratief dossier de toerekenbaarheid in hoofde van geïntimeerde had kunnen toetsen. Pas wanneer zulk psychiatrisch verslag bevestigt dat de geïnterneerde op het moment van de feiten helder en bewust was, kon de directie onderzoeken (en motiveren) of de tuchtrechtelijke inbreuk hem effectief kan worden toegerekend in het licht van de overige elementen in het dossier die voorhanden zijn.

Het beroep is bijgevolg ongegrond.