Ga verder naar de inhoud

BC/22-0064

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - HERNIEUWING - MOTIVERING - GEINTERNEERDE

Het beroep is gericht tegen de beslissing van de Directeur-generaal Penitentiaire Inrichtingen tot hernieuwing van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime (IBVR). De Directeur-Generaal dient volgens de Basiswet de procedure te doorlopen en in het bijzonder af te wegen of de betrokken gedetineerde desgevallend nog steeds een “voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid” en deze veiligheid nog steeds “op geen enkele andere wijze gevrijwaard kan worden”, nu tot de plaatsing in IBVR maar kan worden besloten “voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd”.
De beroepscommissie oordeelt dat het gegeven dat appellant “zich vaak erg eisend tgv het personeel opstelt” bezwaarlijk is, te meer omdat appellant geïnterneerd is en in een beveiligde cel verbleef, zodat hij wellicht weinig andere mogelijkheden heeft om de aandacht te trekken van het personeel. Verder oordeelt de Beroepscommissie dat het evenwel niet de bedoeling kan zijn dat het psychiatrische profiel van een geïnterneerde in het kader van de hernieuwing van een IBVR tegen hem wordt gebruikt, door daaruit een voortdurende dreiging voor de veiligheid af te leiden. Hier anders over oordelen, zou betekenen dat iedere
geïnterneerde op IBVR kan worden geplaatst gelet op diens psychiatrische problematiek waarmee per definitie onvoorspelbaar gedrag is verbonden. De Beroepscommissie ziet verder in het thans voorliggende administratief dossier geen enkel element dat zou kunnen wijzen op een “voortdurende bedreiging voor de veiligheid” die van appellant uitgaat. Tot slot zijn de feiten die zich vier maanden geleden voordeden in het FPC en op grond waarvan appellant naar de gevangenis werd overgeplaatst, thans niet meer actueel.
Het beroep is gegrond.