Ga verder naar de inhoud

BC/22-0086

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Voorlopige maatregel
ONTVANKELIJKHEID - VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT

Opdat aan een klager kan worden verweten zijn klacht niet tijdig te hebben ingediend, volstaat het niet vast te stellen dat de klager meer dan zeven dagen voordien van de beslissing kennis heeft gekregen. De klager moet ook beschikken over de schriftelijke beslissing zodat hij ten volle de redenen van deze beslissing kan beoordelen en zijn standpunt over de wettigheid of redelijkheid van de beslissing kan bepalen. Uit het verslag van de tuchthoorzitting blijkt dat dit voor de klager tijdens de duur van zijn verblijf in de beveiligde cel niet mogelijk was, nog afgezien van de omstandigheid dat de klager in de beveiligde cel niet over papier en schrijfgerief beschikte. De loutere mogelijkheid om een klacht te kunnen schrijven op een dag vóór het verstrijken van zeven dagen na kennis te hebben gekregen van de beslissing, volstaat niet om tot niet-ontvankelijkheid te besluiten. De vraag is ook of dit redelijkerwijze van de klager kon worden verlangd. De klager diende zijn klacht tegen de voorlopige maatregel in op dezelfde dag als de dag waarop hij zijn klacht tegen de tuchtbeslissing indiende. De ontvankelijkheid van deze laatste klacht staat niet ter discussie. Tussen beide beslissingen bestaat een verband: de duur van de voorlopige maatregel wordt in mindering van de tuchtsanctie gebracht (artikel 145, §3, basiswet). Rekening houdend met al deze omstandigheden heeft de klager zijn klacht tegen de voorlopige maatregel zo spoedig ingediend als redelijkerwijze van hem kon worden verlangd.
Uit het rapport aan de directeur blijkt dat de klager niet meewerkte aan de verandering van verblijfsruimte. Hij pleegde passief verzet: hij legde zich plat op zijn buik in zijn bed en weigerde elke medewerking. Door dit verzet verstoorde de klager de orde binnen de gevangenis. Dit passief verzet hield echter geen ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid in aangezien noch de fysieke integriteit van personen, noch de goede staat van goederen door dat verzet in gevaar kwam. De beslissing ‘opleggen voorlopige maatregel’ motiveert overigens niet waarom de feiten die het rapport aan de directeur vermeldt, een ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid zouden uitmaken. Uit het rapport aan de directeur blijkt alleen dat wegens het gebrek aan medewerking van de klager aan hem werd gezegd dat hij naar de beveiligde cel zou worden overgebracht. Het is bij de uitvoering van die beslissing dat op de klager dwang werd uitgeoefend om het verzet van de klager tegen de overbrenging naar de beveiligde cel te breken. Het verzet van de klager bij de uitvoering van de voorlopige maatregel kan echter die voorlopige maatregel zelf niet verantwoorden. De klacht tegen de voorlopige maatregel is dan ook gegrond.
Aangezien de basiswet geen bijzonder bewijsstelsel instelt, kan de directeur voor het bewijs van het tuchtrechtelijk gesanctioneerd feit niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Bij gebrek aan een regeling van de bewijswaarde komt het de directie toe binnen de grenzen van de redelijkheid de bewijswaarde te beoordelen van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het rapport aan de directeur dat een penitentiair beambte opstelt wanneer hij een feit vaststelt waarvan hij vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt, zoals artikel 144 van de basiswet voorschrijft, is een gegeven waarop de directie haar beoordeling van het bestaan en de ernst van de feiten kan steunen. Dit neemt niet weg dat wanneer de feiten worden betwist, het de directie toekomt rekening te houden met het verweer van de gedetineerde om de bewijswaarde van het rapport te beoordelen. De directie kon binnen de grenzen van de redelijkheid oordelen dat het feit dat aan de klager werd ten laste gelegd, bewezen was.
Uit de motivering van de tuchtbeslissing blijkt dat niet alleen rekening werd gehouden met het feit dat de klager geen gevolg gaf aan de instructies van het personeel, maar ook met de mate van verzet waardoor “een plaatsing op een beveiligde cel zich opdrong”. Die laatste beoordeling is, zoals blijkt uit de vernietiging van de voorlopige maatregel, niet correct. Door de mate van het verzet tegen de aanmaningen en bevelen van het personeel verkeerd te beoordelen, heeft de directie ook de omvang van de op te leggen tuchtsanctie verkeerd beoordeeld. De directie kon dan ook niet in redelijkheid de tuchtsanctie bepalen op 10 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte. De klachten- of beroepscommissie beschikt over de bevoegdheid, wanneer een klacht tegen een tuchtbeslissing gegrond is bevonden, te bepalen binnen welke redelijke grens een tuchtsanctie behouden blijft. Rekening houdend met de ernst van het vergrijp en de omstandigheden waarin zij plaatsvond was 7 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte een toereikende bestraffing. De klacht is dan ook gedeeltelijk gegrond.