Ga verder naar de inhoud

BC/22-0163

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Overplaatsing
OVERPLAATSING - HOORPLICHT

Uit artikel 163, §5, en de samenhang tussen de artikelen 163 en 164 van de basiswet volgt dat de toelichting zoals bedoeld in artikel 164 te onderscheiden valt van de uiteenzetting van de redenen van het bezwaar in het bezwaarschrift. Artikel 163 van de basiswet, dat voorziet in het bezwaar dat tegen de beslissing tot plaatsing of overplaatsing kan worden ingediend door middel van een ‘bezwaarschrift’, bepaalt immers in §5 dat op de bezwaarschriftprocedure (onder andere) artikel 150, §2, van de basiswet van overeenkomstige toepassing is. Dit artikel 150, §2, bepaalt dat “in de klacht zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover geklaagd wordt en de redenen van de klacht (worden) vermeld”. Een overeenkomstige toepassing van artikel 150, §2, op de bezwaarschriftprocedure brengt dan ook mee dat ook bij een bezwaarschrift tegen de beslissing tot (over)plaatsing wordt verlangd dat de redenen van het bezwaar worden vermeld. De mogelijkheid tot toelichting waarin artikel 164, §1, van de basiswet voorziet, valt dan ook niet samen met het vermelden van de redenen van het bezwaar. Artikel 164, §1, van de basiswet biedt wel degelijk, voor zover de gedetineerde dit verlangt, de mogelijkheid van een bijkomende toelichting over het bezwaarschrift, te onderscheiden van het bezwaarschrift zelf. Die bijkomende toelichting kan dan zowel schriftelijk worden gegeven – door de gedetineerde zelf of door zijn advocaat of vertrouwenspersoon – als mondeling – maar dan alleen door de advocaat of de vertrouwenspersoon die de gedetineerde vertegenwoordigt.
Het staat vast dat de beroepsindiener, zoals bijgestaan door zijn advocaat, uitdrukkelijk meedeelde gebruik te willen maken van de mogelijkheid om zijn bezwaar toe te lichten. Gelet op de bijstand van de beroepsindiener door zijn advocaat, de verwijzing naar artikel 164 van de basiswet en het feit dat artikel 164, §1, derde lid, zelf bepaalt dat ‘de gedetineerde’ mondelinge toelichting kan geven door zich te laten vertegenwoordigen door (onder andere) een advocaat, kon de directeur-generaal niet voorbijgaan aan deze vraag van de gedetineerde om mondeling te worden gehoord. De omstandigheid dat het schriftelijk bezwaar al “inhoudelijk sterk onderbouwd was”, kon dit evenmin verantwoorden. De beslissing van de directeur-generaal over het bezwaar is dan ook genomen met miskenning van de hoorplicht zoals georganiseerd door artikel 164, §1, van de basiswet. De beslissing wordt dan ook vernietigd en de directeur-generaal wordt opgedragen overeenkomstig artikel 164, §2, van de basiswet een nieuwe beslissing te nemen na de gedetineerde in de mogelijkheid te hebben gesteld zijn bezwaarschrift toe te lichten, schriftelijk door de gedetineerde zelf of zijn advocaat, dan wel mondeling, maar dan alleen door de advocaat van de gedetineerde.