Ga verder naar de inhoud

BC/22-0174

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie
TUCHT - VERBODEN SUBSTANTIES - BEWIJS

Het inrichtingshoofd geeft zelf aan dat de twee drugshonden onafhankelijk van elkaar aangeven dat klager “minstens in contact” is geweest met verboden substanties. Het in aanraking gekomen zijn met drugs, zegt evenwel nog niets met zekerheid over het mogelijke bezit (en gebruik) ervan, terwijl enkel het bezit of de handel tuchtrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden. Hoewel drugshonden over een getraind reukorgaan beschikken, kan er immers sprake zijn van zgn. 'secondary transfer' van de geur of dat de drugshond een vals positieve melding heeft gedaan.
De reactie van de drugshond kan slechts een vermoeden opleveren van de aanwezigheid van drugs en aldus een aanleiding zijn om nader onderzoek te voeren, maar vormt op zichzelf geen bewijs van aanwezigheid van drugs. De beroepscommissie is zich ter dege bewust van het ‘lik op stuk’ beleid dat de directie moet kunnen voeren tegen drugsbezit in de gevangenis. De aanwijzingen door de drugshonden van de federale politie, kunnen in die zin de nodige “individuele aanwijzingen” opleveren om met gepaste spoed te kunnen overgaan tot een fouillering of een celcontrole.


Er werd een klachtendossier met referentie KC33/22-0017 opgestart