Ga verder naar de inhoud

BC/22-0292

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - MEDISCH ADVIES - SUBSIDIARITEIT - MOTIVERING - PROPORTIONALITEIT

Vooraleer over te gaan tot de inhoudelijke beoordeling van het opgelegde IBVR buigt de beroepscommissie zich over de procedurele aspecten ervan. De procedure waarborgen zijn essentieel en dienen te allen tijde gerespecteerd te worden: een onwettigheid op dat vlak tast de gehele beslissing aan.

Het medisch advies volstaat de wettelijke toets. De beroepscommissie beveelt aan dat er voortaan onder elke specifieke maatregel die deel uitmaakt van de IBVR bijkomend afzonderlijk aangegeven wordt of er al dan niet een medische contra-indicatie bestaat.

Gelet op het feit dat de mogelijkheden tot het opleggen van een BVM in een eerdere fase uitgeput werden, de meest recente BVM door de alleenzetelend klachtenrechter geschorst werd en dat de directeur-generaal duidelijk van oordeel is dat er sprake is van een aanhoudende dreiging (en dus een resistent probleem van veiligheid), meent de beroepscommissie dat de vereiste van de subsidiariteit niet geschonden werd door het opleggen van een IBVR.

De directeur-generaal argumenteert dat uit politionele informatie blijkt dat er een extreme ontvluchtingsdreiging uitgaat van beroepsindiener, meer het risico dat om dit doel (ontvluchting) te bereiken gebruik zou gemaakt worden van extreme en gewelddadige methodes waardoor preventieve veiligheidsmaatregelen noodzakelijk blijven om de interne en de externe veiligheid te kunnen verzekeren. De directeur-generaal beroept zich op artikel 8 van de Basiswet: de concrete informatie kan niet medegedeeld worden omdat de kennisgeving ervan de veiligheid ernstig in gevaar zou brengen. Het register werd ingekeken. De beroepscommissie is van oordeel dat het inderdaad gerechtvaardigd is om deze informatie niet ter beschikking te stellen van beroepsindiener daar de kennisgeving ervan aan hem de veiligheid ernstig in het gevaar zou brengen, meer bepaald de openbare veiligheid in het algemeen en de interne en externe veiligheid van de gevangenisinstelling in het bijzonder. Uit het register blijkt een aanhoudend ontsnappingsgevaar. De beroepscommissie oordeelt dat de directeur-generaal op basis daarvan redelijkerwijze kon besluiten tot een voortdurende bedreiging van de veiligheid.

De beroepscommissie dient tot slot te beoordelen of de beslissing onredelijk of onbillijk moet worden geacht, bij een afweging van alle in aanmerking komende belangen. Het IBVR moet proportioneel zijn, zowel wat de duur als wat de omvang betreft. De beroepscommissie merkt op dat het regime van beroepsindiener sinds zijn aankomst bepaalde versoepelingen heeft ondergaan. De genomen maatregelen zijn telkens gemotiveerd vanuit het vluchtrisico. De beroepscommissie stelt vast dat er, waar mogelijk, geleidelijk aan versoepelingen werden aangebracht en dat er op die manier rekening gehouden wordt met de bezwaren die beroepsindiener uit. De beroepscommissie ziet derhalve geen reden om het redelijk en billijk karakter in vraag te stellen. De beroepscommissie draagt wel op dat de observatie ’s nachts beperkt moet blijven tot het schijnen met een zaklamp in de cel van beroepsindiener en dat er enkel overgegaan mag worden tot het openen van de celdeur of het ontsteken van het licht in de cel wanneer en als daartoe concrete aanwijzingen zouden zijn bij het kijken met de zaklamp. Zo wordt de slaap van beroepsindiener zo weinig mogelijk verstoord.

Het beroep is ongegrond.

!Opgelet! Er is een cassatieberoep hangend bij de Raad van State in dit dossier.