Ga verder naar de inhoud

BC/23-0122

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Andere beslissing directeur
CELCONTROLE - UITVOERING - PUNTENSYSTEEM - MOTIVERING

Het inrichtingshoofd stelde maar beroep in tegen enkele aspecten van de beslissing van de klachtencommissie. De beroepscommissie beperkt haar onderzoek bijgevolg enkel tot deze zaken.

De celcontrole is uitgevoerd op basis van het fouilleplan. De beroepscommissie van oordeel dat er in zulk geval sprake is van een beslissing namens de directie ten aanzien van de gedetineerde. Het fouilleplan is conform artikel 109 §1 van de Basiswet opgesteld ddoor de directie die aldus de eindverantwoordelijkheid draagt. De kwartierchef die op basis van het fouilleplan beslist welke cel(len) op een bepaalde dag doorzocht wordt(en) doet dat namens de directie. Het betreft een geïndividualiseerde beslissing in de zin van artikel 148 waarvoor het beklagrecht openstaat. De initiële klacht tegen de celcontrole is ontvankelijk.
De beroepscommissie bevestigt de beslissing van de klachtencommissie die stelt dat de bestreden clecontrole niet onwettig noch onredelijk of onbillijk was. De klacht tegen de celcontrole is ongegrond.

De beroepscommissie verklaart ook de klacht tegen de uitvoering van de celcontrole ontvankelijk. De beroepscommissie is bevoegd om te oordelen over de wijze van uitvoeren van een celcontrole die tot stand kwamen via een beslissing van of namens de directeur (feitelijk handelen dat in verbinding staat met een beslissing namens de directeur). De klachtencommissie merkte terecht op dat de geschetste wijze van uitvoering in strijd is met het voorschrift omd e waardigheid van de gedetineerde te eerbiedigen. De cel is niet in zijn oorspronkelijke staat gesteld na de controle. Dit maakt de celcontrole strijdig met de modaliteiten in de Collectieve Brief nr.141, dewelke ook overgenomen zijn in het fouilleplan.

Het beroep van het inrichtingshoofd tegen de celcontrole en de uitvoering ervan zijn ongegrond.

Met betrekking tot het beroep tegen het puntensysteem nam de beroepscommissie eerder het standpunt in dat de toekenning van punten geen beslissing betrof van de directie, maar slechts een administratieve en automatische toepassing van de brochure. De beroepscommissie stelt echter vast dat de directie de brochure niet steeds consequent toepast, waaruit ze toch een zekere beoordelingsmarge voor de directie afleidt. In dat geval is de beslissing van toekenning tot punten een beklagwaardige beslissing.

Vervolgens rijst de vraag of de beslissing wettelijk en redelijk is.

Ten eerste is de beroepscommissie van oordeel dat de beslissing geen wettelijke grondslag heeft. Bovendien zorgt de willekeurige toepassing van de brochure voor een uitholling van de rechtszekerheid. In bijkomende orde moet de beslissing in ieder geval gemotiveerd zijn, wat hier niet het geval is. De beslissing tot toekenning van punten is daarom niet conform de wet. Het zou een ordemaatregel kunnen zijn, omdat het als onmiddellijk gevolg wel een ontradingseffect heeft. Het is dan wel essentieel dat de maatregel onmiddellijk wordt uitgevoerd. De beroepscommissie is van oordeel dat er geen sprake is van een dubbele sanctie, omdat de toekenning van punten niet de bestraffing voor ogen heeft, maar wel het bewaren van de orde en veiligheid.

Het beroep van het inrichtingshoofd is ook op dit vlak ongegrond.