BC/23-0153
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Andere beslissing directeur
GEZONDHEID
Klager diende een klacht in tegen de verstoring van zijn nachtrust. De klachtencommissie beoordeelde de klacht als ontvankelijk, maar ongegrond. Klager tekende hiertegen beroep aan.
De beroepscommissie stelt in navolging van de klachtencommissie vast dat het waarborgen van de nachtrust van gedetineerden deel uitmaakt van het recht zoals omschreven in artikel 5 van de Basiswet en de verantwoordelijkheid hiervoor bij de directie ligt.
De beroepscommissie is van oordeel dat het wel degelijk gaat om een verzuim om een geïndividualiseerde beslissing te nemen, namelijk om niet te remediëren aan de toestand van het nachtlawaai ten aanzien van klager, binnen een redelijke termijn. Net zoals de klachtencommissie beoordeelt de beroepscommissie de oorspronkelijke klacht als ontvankelijk.
Wat de gegrondheid betreft, stelt de beroepscommissie vast dat uit het dossier niet blijkt dat de directie enige actie ondernomen heeft om aan het probleem tegemoet te komen. De directie geeft nochtans zelf aan dat de geluidsoverlast door geïnterneerden een gekend probleem is. Het is de verantwoordelijkheid van het inrichtingshoofd om klager te vrijwaren van bovengenoemd probleem door een bepaald beleid te voeren of bepaalde maatregelen te nemen. Het doorgeven aan het zorgteam en de PBA kan niet als dusdanig aanzien worden.
De beroepscommissie draagt het inrichtingshoofd op binnen de twee weken na de betekening van deze uitspraak een maatregel te nemen waardoor de nachtrust van klager niet meer structureel verstoord wordt, voor zover dit intussen nog niet gebeurd zou zijn. De beroepscommissie is van oordeel dat de gegrondverklaring van de klacht en (het vooruitzicht op) een oplossing een voldoende morele tegemoetkoming uitmaken.
Het beroep is gegrond. De beslissing van de klachtencommissie wordt vernietigd.
Klager diende een klacht in tegen de verstoring van zijn nachtrust. De klachtencommissie beoordeelde de klacht als ontvankelijk, maar ongegrond. Klager tekende hiertegen beroep aan.
De beroepscommissie stelt in navolging van de klachtencommissie vast dat het waarborgen van de nachtrust van gedetineerden deel uitmaakt van het recht zoals omschreven in artikel 5 van de Basiswet en de verantwoordelijkheid hiervoor bij de directie ligt.
De beroepscommissie is van oordeel dat het wel degelijk gaat om een verzuim om een geïndividualiseerde beslissing te nemen, namelijk om niet te remediëren aan de toestand van het nachtlawaai ten aanzien van klager, binnen een redelijke termijn. Net zoals de klachtencommissie beoordeelt de beroepscommissie de oorspronkelijke klacht als ontvankelijk.
Wat de gegrondheid betreft, stelt de beroepscommissie vast dat uit het dossier niet blijkt dat de directie enige actie ondernomen heeft om aan het probleem tegemoet te komen. De directie geeft nochtans zelf aan dat de geluidsoverlast door geïnterneerden een gekend probleem is. Het is de verantwoordelijkheid van het inrichtingshoofd om klager te vrijwaren van bovengenoemd probleem door een bepaald beleid te voeren of bepaalde maatregelen te nemen. Het doorgeven aan het zorgteam en de PBA kan niet als dusdanig aanzien worden.
De beroepscommissie draagt het inrichtingshoofd op binnen de twee weken na de betekening van deze uitspraak een maatregel te nemen waardoor de nachtrust van klager niet meer structureel verstoord wordt, voor zover dit intussen nog niet gebeurd zou zijn. De beroepscommissie is van oordeel dat de gegrondverklaring van de klacht en (het vooruitzicht op) een oplossing een voldoende morele tegemoetkoming uitmaken.
Het beroep is gegrond. De beslissing van de klachtencommissie wordt vernietigd.