OVERBEVOLKING – TUCHT
De gedetineerde heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de klachtencommissie van Gent. De eerste klacht ging over het feit dat klagers detentieomstandigheden strijdig zouden zijn met artikel 3 EVRM. De beroepscommissie bevestigt in dit kader haar standpunt dat de beslissing tot toewijzing van een verblijfsruimte een beslissing namens de directeur uitmaakt, waardoor de initiële klacht ontvankelijk was. Wat betreft de gegrondheid, stelt de beroepscommissie vast dat klager in een quattrocel van 16m² met vijf personen verbleef, waaronder één grondslaper. Hij verbleef zelf ongeveer twintig uren op cel. Door het groot aantal meubels in de cel, was er bovendien slecht een zeer beperkte grondoppervlakte, zodat men zich niet vrij kon bewegen in de cel. De beroepscommissie besluit, in tegenstelling tot de klachtencommissie, dat er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. Hoewel de overbevolkingsproblematiek in de gevangenis van Gent gekend is, is de beroepscommissie van oordeel dat men zich niet op overmacht kon beroepen om de klacht ongegrond te verklaren. Dit aspect van het beroep is gegrond.
De tweede klacht ging over een tuchtbeslissing, omdat klager de bevelen van het personeel niet had opgevolgd door een nieuwe persoon niet op cel te willen binnenlaten. Bovendien dreigde hij ermee dat hij de spullen van de nieuwe celgenoot opnieuw zou buiten zetten. Het staat vast dat klager door deze houding de bevelen van het personeel niet opvolgde. Dat hij niet kon verplicht worden om een onwettige beslissing uit te voeren, is geen overtuigend argument. De beroepscommissie besluit dan ook dat de directie redelijkerwijze kon besluiten dat de tuchtinbreuk aan klager kon worden toegerekend. Dit aspect van het beroep is niet gegrond. Er is op dit vlak bovendien ook geen schending van het recht op vrijemeningsuiting.
Klager kreeg de kans om zijn standpunt over te maken met betrekking tot een eventuele tegemoetkoming, doch reageerde hier niet op.
De gedetineerde heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de klachtencommissie van Gent. De eerste klacht ging over het feit dat klagers detentieomstandigheden strijdig zouden zijn met artikel 3 EVRM. De beroepscommissie bevestigt in dit kader haar standpunt dat de beslissing tot toewijzing van een verblijfsruimte een beslissing namens de directeur uitmaakt, waardoor de initiële klacht ontvankelijk was. Wat betreft de gegrondheid, stelt de beroepscommissie vast dat klager in een quattrocel van 16m² met vijf personen verbleef, waaronder één grondslaper. Hij verbleef zelf ongeveer twintig uren op cel. Door het groot aantal meubels in de cel, was er bovendien slecht een zeer beperkte grondoppervlakte, zodat men zich niet vrij kon bewegen in de cel. De beroepscommissie besluit, in tegenstelling tot de klachtencommissie, dat er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. Hoewel de overbevolkingsproblematiek in de gevangenis van Gent gekend is, is de beroepscommissie van oordeel dat men zich niet op overmacht kon beroepen om de klacht ongegrond te verklaren. Dit aspect van het beroep is gegrond.
De tweede klacht ging over een tuchtbeslissing, omdat klager de bevelen van het personeel niet had opgevolgd door een nieuwe persoon niet op cel te willen binnenlaten. Bovendien dreigde hij ermee dat hij de spullen van de nieuwe celgenoot opnieuw zou buiten zetten. Het staat vast dat klager door deze houding de bevelen van het personeel niet opvolgde. Dat hij niet kon verplicht worden om een onwettige beslissing uit te voeren, is geen overtuigend argument. De beroepscommissie besluit dan ook dat de directie redelijkerwijze kon besluiten dat de tuchtinbreuk aan klager kon worden toegerekend. Dit aspect van het beroep is niet gegrond. Er is op dit vlak bovendien ook geen schending van het recht op vrijemeningsuiting.
Klager kreeg de kans om zijn standpunt over te maken met betrekking tot een eventuele tegemoetkoming, doch reageerde hier niet op.