Ga verder naar de inhoud

BC/23-0309

Beroepscommissie Beroepscommissie Voorlopige maatregel Tucht
VOORLOPIGE MAATREGEL - MOTIVERING - TUCHT - HERVORMING- TEGEMOETKOMING

Aangezien de voorlopige maatregel werd vernietigd, heeft de klachtencommissie ten onrechte geen rekening gehouden met de dagen die hij onterecht reeds onder voorlopige maatregel heeft gestaan.
Zij kende bovendien geen compensatie toe, omdat “klager geen tegemoetkoming invulde op zijn klachtenformulier”, doch de klachtencommissie had ambtshalve kunnen vaststellen dat klager door de voorlopige maatregel geen ongestoord bezoek heeft kunnen genieten, doch slechts glasbezoek.
Anders dan de klachtencommissie overwoog, merkt de beroepscommissie op dat de voorlopige maatregel de facto neerkomt om een verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (artikel 112 §1 4° basiswet).
Klager werd immers uitgesloten van alle gemeenschappelijke of individuele activiteiten, terwijl artikel 112 §1 2° basiswet slechts een uitsluiting toelaat van bepaalde activiteiten.
Klager stelt tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting inderdaad dat hij meteen naar zijn cel werd gebracht en dat hem slechts glasbezoek werd toegestaan, terwijl de uitoefening van het recht op contacten met de buitenwereld (waaronder ongestoord bezoek) in principe niet ingeperkt wordt door een voorlopige maatregel die slechts bedoeld is om hem uit te sluiten van bepaalde activiteiten.
De loutere korte verwijzing naar de feiten uit het RAD als motivering van de voorlopige maatregel laten bovendien op zichzelf niet toe om eenvoudig te besluiten tot een “ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid” die een afzondering in de cel kan verantwoorden. Dat is de reden waarom de voorlopige maatregel vernietigd dient te worden, tesamen met de vaststelling dat de directeur niet aanwezig was bij de handtekening. Artikel 145 §1 van de basiswet vereist nochtans dat de directeur de beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel neemt en voorziet geen enkele delegatie aan personeelsleden in dat verband.

Wat betreft de tuchtsanctie, treedt de beroepscommissie de klachtencommissie bij dat zijn bewoordingen die in het RAD worden geciteerd niet mis te verstaan zijn en dat er geen reden is om te veronderstellen dat ze niet correct werden weergegeven.
Hoewel er een zekere subjectieve appreciatie hoort bij de beoordeling van agressiviteit versus assertiviteit in taalgebruik en houding van klager en bepaalde personeelsleden zich niet in dezelfde mate daadwerkelijk bedreigd zouden voelen, doet dit niets af het feit aan deze bewoordingen de directeur redelijkerwijs kan doen besluiten tot een kwalificatie als “de bedreiging met de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen” in de zin van artikel 129 1° van de basiswet.
Hoewel de directie voor deze tuchtinbreuk tot 30 dagen ATV had kunnen opleggen, ziet de beroepscommissie niet in waarom de directie niet is ingegaan op de vraag van de raadsman tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting om klager slechts een berisping op te leggen. Dit is des te meer het geval omdat de directie tijdens de zitting zelf de feiten relativeert en de raadsman er terecht op wees dat klager reeds een ongestoord bezoek heeft gerateerd door de voorlopige maatregel.
Rekening houdend met de omstandigheden waarin de tuchtinbreuk plaatsvond (mogelijk misverstand als aanleiding), de verzachtende omstandigheden (aangeboden excuses), de voorlopige maatregel (waardoor hij een ongestoord bezoek rateerde) is een berisping overeenkomstig artikel 132, 1° basiswet in casu een toereikende en passende bestraffing.