Ga verder naar de inhoud

BC/24-0146

Ongegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Tucht Fouille op het lichaam
FOUILLE LICHAAM - TUCHT

Uit de samenlezing van artikel 108, §1 en §2 tweede lid van de basiswet, volgt dat de directeur slechts kan beslissen tot fouillering op het lichaam indien er individuele aanwijzingen bestaan dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Het inrichtingshoofd stelt dat de klachtencommissie kon afleiden dat er reeds een fouille aan de kledij voorafging aan de fouille aan het lichaam. De beroepscommissie is het hier niet mee eens en stelt dat dit specifiek dient te blijken uit de schriftelijke weerslag van de beslissing tot fouille aan het lichaam.

Verwijzend naar de rechtspraak van de Raad van State besluit de beroepscommissie dat de onwettigheid van de voorafgaande fouillering op het lichaam in dit geval de onwettigheid van de navolgende tuchtbeslissing tot gevolg heeft, aangezien de tuchtbeslissing niet gebaseerd is op andere elementen die wel op regelmatige wijze verkregen werden.

Het beroep is ongegrond.