Ga verder naar de inhoud

BC/24-0273

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Individueel bijzonder veiligheidsregime
IBVR - HERNIEUWING - MEDISCHE OVERBRENGING - HOORPLICHT - VERTROUWELIJKE INFORMATIE - MOTIVERING - INDIVIDUELE WANDELING

De beroepscommissie stelt vast dat het psycho-medisch verslag werd opgesteld door de neuropsychiater te Dendermonde, op grond van een voorstel tot hernieuwing van de directeur van Dendermonde en dat beroepsindiener lopende de aldaar opgestarte procedure (en meer bepaald op 2 augustus 2024 na het voorstel dd. 23 juli 2024) om medische redenen werd overgebracht naar het medisch centrum van de gevangenis van Brugge, alwaar hij op 6 augustus 2024 gehoord werd door de directeur van Brugge.

Wat betreft het feit dat het psycho-medisch verslag werd opgesteld door de neuropsychiater van de gevangenis van Dendermonde en hieruit volgens beroepsindiener volgt dat deze geen gedegen onderzoek heeft kunnen verrichten naar de verenigbaarheid van het daadwerkelijke detentieomstandigheden te Brugge met de gezondheidstoestand van beroepsindiener , merkt de directeur-generaal in eerste instantie terecht op dat de overbrenging juist gebeurde in het belang van zijn gezondheidstoestand. Dat de neuropsychiater in het kader van zijn verslag niet uitdrukkelijk rekening hield met de nakende medische overplaatsing naar PC Brugge, doet niets af aan de waarde van het psycho-medisch verslag.
Hoewel de directeur-generaal de beroepscommissie tegensprekelijk bevestigde dat er geen sprake is van een overplaatsing in de zin van de artikelen 17 ev van de basiswet, merkt de directeur-generaal terecht -per analogie- op dat er bij een (klassieke) overbrenging lopende de IBVR-procedure, geen automatische nieuwe psycho-medische beoordeling is verankerd in artikel 118 §8 van de basiswet

Wat betreft het feit dat ook het voorstel niet werd opgesteld door de directeur van Brugge, doch door de directie van Dendermonde- stelt de beroepscommissie vast dat het voormelde artikel 118 §8 evenmin vereist dat de gevangenis van bestemming het voorstel heeft geformuleerd, doch wel dat deze de gedetineerde hoort en haar advies over het behoud te kennen geeft aan de directeur-generaal.
De basiswet belet niet dat de directeur van de oorspronkelijke gevangenis (in casu Dendermonde) het voorstel indient, zolang de directeur van de bestemming (in casu Brugge) de gedetineerde hoort en een advies uitbrengt.
Daargelaten de vraag of deze regeling ook geldt voor een (tijdelijke) medische overbrenging in de zin van artikel 97 het Algemeen reglement - dat immers geen wettelijke adviesverplichting van een directeur verankert, doch slechts van de arts, stelt de beroepscommissie in navolging van de directeur-generaal bovendien vast dat de directeur van de PI Brugge alleszins beroepsindiener zelf hoorde.

De wet belet niet dat de procedure tot hernieuwing van een IBVR, samenvalt met de procedure van overbrenging lopende een IBVR. De penitentiaire administratie is binnen de situatie van samenloop van de paragrafen 7 lid 3 en 8 van artikel 118 van de basiswet voldoende tegemoetgekomen aan beide bepalingen. Het hoorrecht en de rechten van verdediging zijn immers voldoende gewaarborgd, in de mate dat beroepsindiener op de zitting zowel haar standpunt inzake de hernieuwing, als haar standpunt inzake de overbrenging heeft kunnen doen gelden.
Hoewel de wetgever weliswaar een ‘hoorzitting’ (aldus mondeling) vereist in het kader van de IBVR procedure, is de beroepscommissie van oordeel dat de directeur-generaal in casu voldoende is tegemoetgekomen aan de deze wettelijk verankerde hoorplicht, ondanks het feit dat het medisch verslag enkel schriftelijk kon worden becommentarieerd. Beroepsindiener werd immers voldoende in de gelegenheid gesteld om nuttig voor zijn belangen op te komen, zodat het doel van de hoorplicht is bereikt.

De directeur-generaal is terecht van oordeel dat in de bestreden beslissing voldoende motieven aangehaald werden, waarom beroepsindiener nog steeds een voortdurende bedreiging voor de veiligheid uitmaakt en de hernieuwing absoluut noodzakelijk is, nu daarin wordt verwezen naar voldoende actuele vertrouwelijke informatie van de veiligheidsdiensten van 29 juli 2024. In zoverre beroepsindiener er in het bijzonder op aandringt te vernemen of uit de vertrouwelijke informatie blijkt dat beroepsindiener zijn criminele activiteiten zal verderzetten of een concrete ontsnappingspoging plant, omdat het volgens hem niet volstaat dat er sprake is van een groot risico daarop in de toekomst, wijst de beroepscommissie er op dat de vertrouwelijke informatie die blijk geeft van een voortdurende bedreiging voor de veiligheid, ook betrekking kan hebben op mogelijk toekomstig handelen.
Het vluchtrisico hoeft niet imminent te zijn, in het licht van de overige elementen van het dossier waaruit blijkt dat een mogelijke ontvluchting, in deze stand van het geding, een onaanvaardbaar maatschappelijk risico zouden kunnen teweegbrengen.
Het enkele feit dat niet uit de vertrouwelijke informatie volgt wanneer de ontsnapping zou moeten plaatsvinden, brengt in casu bovendien niet met zich mee dat de informatie onvoldoende concreet is.

Wat betreft de gevraagde versoepeling inzake de individuele wandeling, kan de directeur-generaal echter niet volstaan met de vaststelling dat beroepsindiener tijdens zijn verblijf in het medisch centrum van Brugge over een ruimere wandelmogelijkheid beschikt.
Dat verblijf is immers louter tijdelijk van aard en ontslaat de directeur-generaal niet om te antwoorden op de versoepeling die betrekking heeft op de gevangenis van Dendermonde, alwaar hij mogelijk spoedig terug zou worden overgebracht en alwaar hij, aldus beroepsindiener, slechts een kwartier in een ‘leeuwenkooi’ kan wandelen.
De derde grief is dan ook gegrond, in de mate dat de bestreden beslissing geen motieven bevat omtrent de gevraagde versoepeling inzake een individuele wandeling op de grote wandeling te Dendermonde.