Ga verder naar de inhoud

BC/24-0311

Gegrond Beroepscommissie Beroepscommissie Tucht
TUCHT - CEL - STAAT VAN BEVINDING

De klacht is gericht tegen de tuchtstraf van drie weken afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (ATV) die aan de klager werd opgelegd voor het aanbrengen van beledigende tekeningen op de muren en de deur van de cel waarin hij samen met zijn broer had verbleven. De tuchtstraf werd opgelegd op basis van een rapport aan de directeur over de tekeningen en opschriften op de celdeur en muren dat 's avonds werd opgesteld terwijl de klager de cel in de voormiddag had verlaten.
De staat van bevinding (celstaat) is bedoeld om te dienen als bewijs van de staat waarin de cel zich bij aankomst en vertrek bevindt zodat eventuele beschadigingen van de cel of van de uitrusting onomstootbaar vaststaan. Voor de beantwoording van de vraag of schade werd berokkend, moet in beginsel dan ook van deze staat van bevinding worden uitgegaan.
Op de keerzijde van de celstaat werd het vakje "ja" voor de vraag “Werd alles in orde bevonden?” ingevuld en het vakje "neen" voor de vraag “Werd er een schaderapport opgemaakt?”.
De beroepscommissie begrijpt niet waarom voorafgaand aan de tuchtzitting de aan de klager verweten feiten niet diepgaander werden onderzocht aangezien de staat van bevinding niet overeenstemde met het rapport aan de directeur. De beroepscommissie begrijpt evenmin waarom tijdens de tuchtzitting, nadat de staat van bevinding werd opgezocht, aan de vermeldingen op de keerzijde van de celstaat geen aandacht werd besteed. Afgezien van de ongeloofwaardige aanvankelijke verklaring van de klager dat bij zijn aankomst in de cel geen celstaat op zijn naam werd opgemaakt, is er geen objectief gegeven op basis waarvan de feiten aan de klager kunnen worden toegerekend. De vermeldingen op de keerzijde van de celstaat hebben meer bewijskracht dan de vaststelling dat de klager over de celstaat bij aankomst een ongeloofwaardige verklaring aflegde. Anders dan de klachtencommissie komt de beroepscommissie tot de vaststelling dat de directie niet aan zorgvuldige feitenvinding heeft gedaan en niet redelijkerwijze de feiten ten aanzien van de klager bewezen kon verklaren.
De gevolgen van de vernietigde beslissing kunnen niet meer ongedaan worden gemaakt. De beroepscommissie kent dan ook overeenkomstig artikel 158, § 4, van de basiswet aan de klager een tegemoetkoming toe. De toekenning van een belkrediet voor 180 minuten tegen het nationaal tarief voor gesprekken naar een vast toestel is passend als tegemoetkoming.