BC/24-0345
Gegrond
Beroepscommissie
Beroepscommissie
Andere beslissing directeur
VOORWERPEN - VERLIES
Noch de omstandigheid dat een andere gevangenis moet instaan voor een deugdelijke inbewaringneming van de goederen van de gedetineerde en voor een deugdelijke verzending wanneer een gedetineerde naar een andere gevangenis wordt overgebracht, noch de omstandigheid dat de ‘Centrale garage’ van de FOD Justitie instaat voor het vervoer van deze goederen, doet afbreuk aan de verplichtingen die rusten op de directie van de gevangenis waar de gedetineerde verblijft. Het aangevoerde verzuim van de directie van de gevangenis waar de klager verblijft – namelijk niet de nodige beslissingen te hebben genomen om ervoor te zorgen dat hij over zijn goederen beschikt, of niet het nodige te hebben gedaan om hem te vergoeden voor het verlies wanneer blijkt dat de voorwerpen verloren zijn gegaan – kan het voorwerp uitmaken van een ontvankelijke klacht.
De collectieve brief nr. 133 van 12 oktober 2015 “Vergoeding van schade aan voorwerpen van gedetineerden regelt de wijze waarop gedetineerden worden vergoed in geval van (onder meer) verlies van hun goederen. De collectieve brief bepaalt dat de gedetineerde die schadevergoeding wenst, de directie hiervan inlicht door middel van het formulier uit bijlage 1, zo snel mogelijk en uiterlijk 14 dagen na de vaststelling van de schade door de gedetineerde. Op de directie rust ten aanzien van de gedetineerde die haar meldt dat hij bepaalde goederen mist, een actieve informatieplicht. De collectieve brieven richten zich immers tot de penitentiaire inrichtingen en niet tot de gedetineerde. De directie moet de gedetineerde op de hoogte stellen van de mogelijkheid een schadevergoeding te verkrijgen en moet hem in staat stellen het bedoelde formulier in te vullen of te laten invullen.
Op de gevangenis van verblijf rust ook een onderzoeksplicht. De collectieve brief bepaalt namelijk: “Na ontvangst van de aanvraag tot schadevergoeding zal de gevangenisdirectie van de gevangenis waar de gedetineerde verblijft op het ogenblik van het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, onmiddellijk een grondig onderzoek instellen om de verloren voorwerpen terug te vinden of de omstandigheden van het schadegeval vast te stellen. In voorkomend geval bevraagt de gevangenisdirectie hiertoe andere gevangenis en/of dienst [vb. de Centrale garage in geval overbrenging] die bij het schadegeval betrokken waren. Van dit intern onderzoek wordt een schadedossier opgesteld door de gevangenisdirectie”.
Vooraleer de gegrondheid van de klacht definitief te beoordelen, stelt de beroepscommissie in een tussenbeslissing aan het inrichtingshoofd vragen naar de wijze waarop de directie aan haar informatie- en onderzoeksplicht is tegemoetgekomen.
In de eindbeslissing wordt vastgesteld dat alle ontbrekende goederen terechtgekomen zijn en uit de stukken blijkt dat de directie de klager correct heeft geïnformeerd.
Noch de omstandigheid dat een andere gevangenis moet instaan voor een deugdelijke inbewaringneming van de goederen van de gedetineerde en voor een deugdelijke verzending wanneer een gedetineerde naar een andere gevangenis wordt overgebracht, noch de omstandigheid dat de ‘Centrale garage’ van de FOD Justitie instaat voor het vervoer van deze goederen, doet afbreuk aan de verplichtingen die rusten op de directie van de gevangenis waar de gedetineerde verblijft. Het aangevoerde verzuim van de directie van de gevangenis waar de klager verblijft – namelijk niet de nodige beslissingen te hebben genomen om ervoor te zorgen dat hij over zijn goederen beschikt, of niet het nodige te hebben gedaan om hem te vergoeden voor het verlies wanneer blijkt dat de voorwerpen verloren zijn gegaan – kan het voorwerp uitmaken van een ontvankelijke klacht.
De collectieve brief nr. 133 van 12 oktober 2015 “Vergoeding van schade aan voorwerpen van gedetineerden regelt de wijze waarop gedetineerden worden vergoed in geval van (onder meer) verlies van hun goederen. De collectieve brief bepaalt dat de gedetineerde die schadevergoeding wenst, de directie hiervan inlicht door middel van het formulier uit bijlage 1, zo snel mogelijk en uiterlijk 14 dagen na de vaststelling van de schade door de gedetineerde. Op de directie rust ten aanzien van de gedetineerde die haar meldt dat hij bepaalde goederen mist, een actieve informatieplicht. De collectieve brieven richten zich immers tot de penitentiaire inrichtingen en niet tot de gedetineerde. De directie moet de gedetineerde op de hoogte stellen van de mogelijkheid een schadevergoeding te verkrijgen en moet hem in staat stellen het bedoelde formulier in te vullen of te laten invullen.
Op de gevangenis van verblijf rust ook een onderzoeksplicht. De collectieve brief bepaalt namelijk: “Na ontvangst van de aanvraag tot schadevergoeding zal de gevangenisdirectie van de gevangenis waar de gedetineerde verblijft op het ogenblik van het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, onmiddellijk een grondig onderzoek instellen om de verloren voorwerpen terug te vinden of de omstandigheden van het schadegeval vast te stellen. In voorkomend geval bevraagt de gevangenisdirectie hiertoe andere gevangenis en/of dienst [vb. de Centrale garage in geval overbrenging] die bij het schadegeval betrokken waren. Van dit intern onderzoek wordt een schadedossier opgesteld door de gevangenisdirectie”.
Vooraleer de gegrondheid van de klacht definitief te beoordelen, stelt de beroepscommissie in een tussenbeslissing aan het inrichtingshoofd vragen naar de wijze waarop de directie aan haar informatie- en onderzoeksplicht is tegemoetgekomen.
In de eindbeslissing wordt vastgesteld dat alle ontbrekende goederen terechtgekomen zijn en uit de stukken blijkt dat de directie de klager correct heeft geïnformeerd.
Er werd een beroepsdossier met referentie KC16/24-0115 opgestart